Waarom we het geweten niet te snel moeten afserveren

Als je zoekt naar het goede, kun je niet om het geweten heen. Maar in onze cultuur is zekerheid over morele zaken vaak irritant en verdacht. Jammer, zegt Rob. Hij vindt het een veel te beperkte opvatting.

Waarom we het geweten niet te snel moeten afserveren

In de tweede aflevering van Wat is dan goed? betoogt Eva Meijer dat het verdacht is wanneer mensen een beroep doen op hun geweten. Als je dat doet, zo stelt zij, stopt het gesprek: wanneer jij je keuze om veganist te zijn verdedigt met een beroep op je geweten, dan zijn we uitgepraat. En wat misschien nog wel erger is: als je je geweten als leidraad neemt, hoef je zelf niet meer na te denken over wat goed (en kwaad) is. Je weet het blijkbaar al.

Eva Meijer over het geweten in 'Wat is dan goed?'

Deze visie is, denk ik, wijdverbreid in onze cultuur. Zekerheid – ook (en misschien: vooral) op het gebied van de moraal – is vaak verdacht en irritant. We moeten altijd de mogelijkheid openlaten dat we het verkeerd zien. We zijn uiteindelijk maar kleine wezens, met een heel beperkte blik op de wereld. We kunnen daarom nooit zomaar een beroep doen op ons geweten. Laten we in plaats daarvan met elkaar in gesprek blijven en niet ophouden te (onder)zoeken.

Ik begrijp deze kanttekeningen volledig. Toch denk ik dat ze ook iets over het hoofd zien. Aan de hand van de filosofen Søren Kierkegaard en Friedrich Nietzsche probeer ik duidelijk te maken wat dat is.

Vluchten voor verantwoordelijkheid 

We zouden onderscheid kunnen maken tussen echte en onechte onzekerheid. ‘Onechte onzekerheid’ is een wat eigenaardige term die ik gebruik om te verwijzen naar een fenomeen dat Kierkegaard mateloos fascineert: onze neiging om, uit zelfbescherming, te vluchten voor onze morele verantwoordelijkheid. Een pleidooi voor reflectie, onderzoek en gesprek kan heimelijk een manier zijn om het echte leven, waarin er gehandeld en gekozen moet worden, op afstand te houden. 

Wij weten heel vaak allang wat wij moeten doen en hoe wij moeten leven, maar zoeken uitvluchten om er maar niet aan te hoeven beginnen. Wanneer bijvoorbeeld de Farizeeër aan Jezus vraagt ‘Wie is mijn naaste?’ (Lucas 10:29) komt die vraag, aldus Kierkegaard, niet voort uit een oprechte onzekerheid over hoe hij de naaste lief moet hebben. Hij hoopte daarentegen ‘dat het een zeer wijdlopig onderzoek zou worden, dat dit misschien wel heel lang zou duren en dat het er dan toch misschien op uit zou draaien dat moest worden toegegeven dat het onmogelijk was het begrip ‘naaste’ heel precies te bepalen. – Dat was nu juist waarom hij het vroeg, om een uitvlucht te zoeken, om tijd te rekken, om zichzelf te rechtvaardigen.’1

Wat moet ik doen? 

Kierkegaard ontmaskert in zijn teksten veel van ons zoeken, vragen, spreken en reflecteren als geraffineerde pogingen om aan onze verantwoordelijkheid te ontkomen. Hij ziet deze neiging zelfs in een situatie die velen van ons zullen beschouwen als een voorbeeld van echte onzekerheid. We kunnen onder de indruk zijn van de grote verscheidenheid aan morele opvattingen in de wereld. Hoe zou ik, in het licht van al die opvattingen, ooit kunnen beweren dat ik weet wat ik moet doen? We moeten, zo zouden we kunnen denken, onderzoek doen naar verschillende visies op het goede en nagaan welke daarvan steekhouden.   

Kierkegaards reactie2 hierop luidt dat een dergelijk onderzoek eindeloos is: het is altijd mogelijk om meer opvattingen in kaart te brengen, dieper na te denken, grondiger te reflecteren. De conclusie die hij hieruit trekt, is tweeledig. Aan de ene kant kan zo’n onderzoek heel gemakkelijk weer een manier zijn om maar niet te hoeven kiezen, want terwijl we onderzoeken voltrekt het gewone leven met zijn taken en verantwoordelijkheden zich. 
Kierkegaard merkt op dat ons geweten ons toeroept dat we verantwoordelijk zijn voor ieder moment dat we, in moreel opzicht, vergooien. Aan de andere kant, wanneer het onderzoek voortkomt uit echte onzekerheid is ze uiteindelijk zinloos, want hoe zou zo’n eindeloos onderzoek een einde kunnen maken aan mijn onzekerheid?  

Toch kunnen we ook echt twijfelen

Hoewel ik geloof dat Kierkegaard een heel belangrijk punt maakt in zijn ontmaskerende analyses, denk ik ook dat hij uiteindelijk onvoldoende recht doet aan het feit dat wij echt kunnen twijfelen aan wat we moeten doen en hoe we moeten leven. Hoe moeten we met zulke ‘echte onzekerheid’ omgaan? We hebben al gezien in welk opzicht een onderzoek naar de diversiteit en plausibiliteit van andere morele opvattingen onze onzekerheid uiteindelijk niet weg kan nemen. Zijn er andere manieren? 

Ik denk dat een bepaalde opvatting van – inderdaad – het geweten hier relevant is. De notie van ‘geweten’ waaraan ik denk, is die welke Nietzsche naar voren brengt in zijn vroege tekst Schopenhauer als opvoeder. Het geweten, zegt Nietzsche daar, is de stem die ons toeroept: “Wees jezelf! Wat je nu doet, meent, verlangt, dat ben je allemaal niet.”Eén manier om dit uit te leggen is dat het geweten mij er steeds toe aanspoort om te onderzoeken wat het is dat ik, in mijn leven en mijn omstandigheden, doen moet. Het geweten is de kritische stem die mij dwingt na te gaan in welke mate mijn handelingen, opvattingen en verlangens gebaseerd zijn op de verwachtingen, wensen en ideeën van anderen en de cultuur waarin ik leef. Een belangrijke bron van onzekerheid bestaat er volgens deze visie in dat we, onder invloed van anderen en onze cultuur, het zicht kwijt zijn geraakt op een oorspronkelijk besef omtrent wat we moeten doen of hoe we moeten leven. 

Deze visie op het geweten breekt met een opvatting die in deze aflevering sterk naar voren komt: geweten als een geïnternaliseerd, dogmatisch systeem van sociaal gezien dominante waarden en normen. Een dergelijk systeem bestaat ongetwijfeld. 

Maar misschien moeten we geweten eerst en vooral opvatten als een orgaan dat dieper gaat, doordat het ons in staat stelt de inhoud en invloed van dat systeem kritisch te bevragen. 

1 Kierkegaard, Wat de liefde doet, Budel: Damon, 2007, p. 111.

Kierkegaards analyse die ik in deze alinea samenvat, komt uit een ongepubliceerde tekst die helaas niet in het Nederlands vertaald is. Zie: S. Kierkegaard, “Den ethiske og den ethisk-religieuse Meddelelses Dialektik”, in: Søren Kierkegaards Skrifter27, Kopenhagen: Gads Forlag, 2010, p. 394.

F. Nietzsche, Unzeitgemässe BetrachtungenIIISchopenhauer als Erzieher, in: Kritische Studienausgabe1, G. Colli en M. Montinari (red.), Berlijn: De Gruyter, 1999, p. 338. Mijn vertaling. 

Foto: Andrej Lišakov on Unsplash