Dagboek van vrijwilliger Rob op Samos | ‘Ze zullen ons hier toch niet de winter laten doorbrengen?’

Meer dan 5000 Syrische en Afghaanse vluchtelingen wachten in bizarre omstandigheden op het eiland Samos op hun asielaanvraag. Vrijwilliger Rob probeert met man en macht het leven van deze mensen iets dragelijker te maken. Lees mee met het donker èn het licht in Robs dagboek van afgelopen week.  

Dagboek van vrijwilliger Rob op Samos | ‘Ze zullen ons hier toch niet de winter laten doorbrengen?’

Leven in de jungle

In het officiële kamp wonen 1000 mensen. Alle anderen - van zuigelingen tot hoogbejaarde stellen - leven in kleine tentjes in de jungle. Het is een steile rotsachtige berghelling om het kamp heen, verstoken van toegang tot wc’s, douches of elektriciteit. ‘s Nachts is het aardedonker en hebben ratten en slangen vrij spel. Lichtpuntjes in het donker zijn de kleine, hechte gemeenschappen van mensen die voor elkaar zorgen. Door dik en dun. Alles wordt gedeeld: geld, eten en slaapplekken.

Maandag

08.00 uur ‘Sabah el Kheir (goedemorgen)’ Het vermoeide hoofd van een jonge vrouw steekt door de rits van het verbleekte tentje. Precies zo’n speeltentje als mijn kinderen hadden: ongeschikt voor buiten. Ze knijpt haar ogen dicht tegen het felle ochtendlicht. We hebben haast. Er is regen op komst en we delen stukken plastic uit om over de tentjes heen te spannen. De vrouw is alleen, komt uit Ethiopië en is nog maar een paar dagen op het eiland. Er bungelt een houten kruisje aan een touwtje om haar nek. ‘Heb ik dat plastic echt nodig?’, vraagt ze verbaasd. ‘Ze zullen ons hier toch niet de winter laten doorbrengen?’, wijzend op het steile maanlandschap van omgehakte bomen, vuurtjes en vuilnis. Ik knik. De vrouw zucht diep en staart leeg in de verte. Ik krabbel ‘3 meter’ op een kartonnetje en geef het aan haar. Het geeft recht op een stuk landbouwplastic van 4 bij 3 meter. Zou deze vrouw beseffen dat ze nog zeker 1,5 jaar moet wachten voordat haar asielaanvraag in gang wordt gezet?

Dinsdag

22:00 uur Metershoge vlammen brullen boven het tentenkamp uit. Zwarte rook, de bijtende geur van brandend plastic en het geluid van krakende walkie-talkies van de hulpdiensten vullen de nachtlucht. Een eindeloze stroom mensen loopt de helling af het kamp uit. Een moeder met een kleintje op de arm. Een vader met dekens en een enkele koffer. Ze willen zo ver mogelijk zijn van de vechtpartijen en de brand. Er staat een oude man midden op de weg, bevroren in een voortdenderende massa mensen. Hij hangt scheef op zijn stok en de linkerkant van zijn gezicht is ingevallen. Ik loop naar hem toe, hij pakt mijn arm en samen lopen we naar een stoeprand zodat hij kan gaan zitten. Van een collega hoor ik dat hij Koerdisch is, geen familie heeft en het zijn ‘wijk’ is die in brand staat. Het is stil in de auto als ik hem door de nauwe straatjes van de stad naar een haastig geopende shelter rijd. Iemand helpt hem uit de auto. Voordat het portier dichtklapt bukt de man, kijkt mij aan en zegt – terwijl hij zijn rechterhand op zijn hart legt. ‘Spas’. Dank. 

Woensdag

17.00 uur De jungle is opgedeeld in culturen. De Afrikaanse wijk met nauwe modderpaadjes tussen zelfgebouwde tentjes doet me terugdenken aan de sloppenwijken die ik bezocht in Kampala en Nairobi. Kinderen rennen voor me uit en een enkele rat schiet weg onder een berg vuilnis.  Een jongeman uit Congo geeft fietsles. Met enthousiasme en engelengeduld leert hij twee Afghaanse jongetjes fietsen op een veel te grote fiets. Hij klapt in zijn handen van plezier als het een van de gastjes - na vele valpartijen - lukt om alle modderplassen te omzeilen en de top van de heuvel te bereiken. 

Het was alsof jij daar lag, pap. Ik kon wel huilen.

Donderdag

23.00 uur App’je aan mijn vader: Vandaag hielpen we een Syrische man van in de zeventig in de jungle. Hij is bang om te vallen op de gladde helling en dus poept en plast hij naast zijn tent. Ik vroeg hem of hij al zijn bezittingen uit de tent wilde halen zodat we deze konden verplaatsen om er pallets onder te leggen. ‘Heb ik al gedaan’ zei de man, wijzend op paar stukken karton, een grijs t-shirt en een paar afgetrapte sandalen naast de tent. We stonden ons daar beiden te schamen. Toen de pallets min of meer vlak lagen en het tentje weer stond, kroop hij er moeizaam in terug. Het was alsof jij daar lag, pap. Ik kon wel huilen.

Vrijdag

08.00 uur ‘Ik heb een nieuw bed en het ligt heerlijk’. Een stralend Syrisch meisje komt ons huppelend tegemoet als mijn collega en ik aankomen in de jungle. ‘Een nieuw bed?’ ‘Ja, die hebben jullie zelf aan ons gegeven’. Dit meisje had meer fantasie dan ik. Zij zag wat ik niet zag; een grauwe pallet in de modder. Zij zag een Nieuw Bed. Helemaal voor haarzelf. 

Zaterdag

16.00 uur ‘Ze hebben voor hun onderkomens zelfs de grafstenen van mijn ouders uit de grond getrokken’, blaft de boer in mijn gezicht. We treffen elkaar in een olijfboomgaard waar de tentjes van Afghaanse gezinnen dicht op elkaar staan. ‘Dat ze niet anders kunnen dan op mijn land hun toevlucht zoeken, dat snap ik. Maar kijk eens naar onze olijfbomen. Die zijn al eeuwen in de familie. En elke ochtend als ik op mijn land loop zijn er weer een paar omgehakt. De malakka’s (klootzakken).’ Ik heb begrip voor de woede van de man. De inwoners van Samos gaan zwaar gebukt onder de grote groep vluchtelingen die Europa niet wil. Het aantal toeristen is met 80 procent gedaald. Net als ik denk dat de man alleen maar wrok koestert, zegt hij: ‘Maar natuurlijk zijn het mensen. Gisteren heb ik een man met een ontstoken kaak naar de tandarts gereden. En de rekening betaald. Het blijven natuurlijk mensen. En we moeten zorgen voor elkaar, of niet?’ 

Waardigheid voor vluchtelingen

Samos, het Griekse eiland voor de Turkse kust, herbergt 5.000 vluchtelingen die wachten op hun asielaanvraag. Dat kan wel twee jaar duren. In het officiële kamp verblijven zo’n 1.000 mensen, maar alle anderen moeten overleven in de jungle.

Movement On The Ground, de organisatie waar Rob voor werkt, heeft waardigheid als doel. Het team distribueert houten pallets voor onder de tenten en plastic om over de tentjes te spannen. Met najaarsstormen en temperaturen rond het vriespunt op komst bieden ze de vluchtelingen daarmee een droge en warme slaapplek. 

Wil je Rob volgen? Dat kan via zijn Facebookpagina.