Waarom overkomt mij dit?

Het is een basale vraag die veel gelovigen vroeg of laat stellen. God is liefde, de wereld is goedbedoeld, en toch voel ik me rot. Waarom?

Waarom overkomt mij dit?

Op die vraag is geen pasklaar antwoord te geven, maar het kan zeker geen kwaad om er eens mee bezig te zijn als gelovige. Bij voorkeur voordat het moment is gekomen dat de rampspoed jou overvalt.

Geen hemel op aarde

De Bijbel smijt zijn hoofdpersonages, Eva en Adam, al in hoofdstuk 3 uit het paradijs. Bij de poort staat als bewaker een engel met een vlammend zwaard. Zo, dan is dat maar duidelijk, het leven op aarde gaat voor niemand echt hemels worden.

Er zijn gelovigen die dit verhaal een bevredigende verklaring vinden voor alle ellende die ons overkomt. ‘Echtpaar plukte verboden vrucht, miljarden nakomelingen kregen te maken met aardbevingen, ziekten en geweld.’ Ik vind dat fijn voor die gelovigen (denk ik), maar heb het persoonlijk weleens minder zout gegeten.

Wat het verhaal van de zondeval mij wel, enigszins troostend, zegt is het volgende: ik ben niet alleen in mijn noodlot. Mens, dier, natuur, we kennen allemaal onze pijn. Eden is voor niets of niemand toegankelijk. De hele schepping zucht en lijdt als in barensweeën, zei een betere schrijver.

Het eindeloze leed van Job

We lijden dus, maar we zijn daar niet alleen in. Nou, dat moet je eens tegen Job zeggen. Die overkwam alle malaise waarover je uit bijgeloof niet eens hardop durft te spreken (het verlies van je kinderen, een faillissement en zweren op je huid). Zijn vrienden kwamen op bezoek. Eerst zaten ze zeven dagen en zeven nachten zwijgend naast hem. Job was verdrietig, maar niet alleen. Toen begonnen de vrienden helaas toch te ouwehoeren, en goedkope of juist dure verklaringen te opperen voor het leed waarin Job zat verwikkeld. Ze werden Jobsvrienden.

Dit verhaal gaat een hele tijd door, totdat God zich in hoofdstuk 38 eens verwaardigt tot een antwoord. Ha, denk je dan. We krijgen eindelijk te horen waarom er zoveel misère is (of je moet genoegen nemen met het kaderverhaal van het boek van Job, dat zijn noodlot wijt aan een fatale weddenschap tussen God en de duivel. Andermaal: ik ben blij voor je, maar ik heb het zelf weleens minder zout gegeten). 

God antwoordt vanuit een storm en begint Job te bevragen. Hij wijst erop dat er veel is dat Job niet weet en begrijpt. Dat er veel is dat Job niet in de hand heeft. Dat Job bijvoorbeeld eens moet proberen om een krokodil te vangen. Lukt niet, he? Nee, precies. Job zwijgt. God lijkt te suggereren: je kunt beter met zo’n wild beest worstelen dan met de eeuwige waaromvraag. En daar moet Job het dan maar mee doen. De pijn is er nu eenmaal. Vertwijfeld over die pijn nadenken maakt alles alleen maar ingewikkelder. 

Het kwade ten goede gekeerd

En toch blijven we mensen. Die moeten nu eenmaal iets met de rauwe kanten van hun biografie. Ze moeten er een verhaal van maken. Iemand die daarin geslaagd is, is Jozef. Hij werd als jongeman door zijn broers eerst in een put gegooid, en daarna toch maar aan handelaren verkocht. Door hun toedoen belandde hij als buitenlandse slaaf in Egypte. Een afschuwelijke daad, maar wel eentje die leidt tot de redding van een heel volk. Jozef eindigt namelijk als onderkoning in Egypte, net op het moment dat er een wereldwijde hongersnood optreedt. Dankzij zijn hoge positie kan hij zijn broers en vader redden. 

‘Niet jullie hebben mij naar Egypte verkocht als slaaf’, zegt hij na het weerzien moedig tegen zijn broers. ‘God zelf heeft mij hierheen gestuurd, om ons allemaal van de honger te redden!’ De broers zijn opgelucht. Jozef heeft zijn persoonlijke tragiek van een vrome uitleg voorzien, en nu blijven zij buiten schot. Vijf hoofdstukken later is hij wat genuanceerder geworden: ‘Jullie hadden kwaad tegen mij in de zin, maar God heeft dat ten goede gekeerd.’ 

Jozef zag in het kwaad dat hem was overkomen de hand van God. Eerst denkt hij dat God alles heeft laten gebeuren vanuit een schrander plan. Later denkt hij dat God de rottigheid die er al was ten goede keerde met een schrander plan. Hoe dan ook: Jozefs leed heeft zin gekregen. Als je Jozef daarin wilt navolgen, onthoud dan goed dat daar twee voorwaarden bij horen. Het kan allereerst alleen achteraf, en je mag daarnaast alleen zo over je eigen rouw spreken. Zwijg over die van de buurvrouw!

God en de klagers

Anderen zijn minder eerbiedig dan Job aan ’t eind van zijn boek, en hebben ook niks met (meer of minder) sluitende antwoorden zoals die van Jozef of Jobs vrienden. Dat zijn de klagers. Vergeet niet dat zij flink wat ruimte krijgen in de Bijbel. Dit soort zangers belandde gewoon in de heilige geschriften. Ze zeiden dat God niet luisterde, dat God sliep, of zelfs dat God hen actief aanviel. Als zij dat soms mochten roepen, mag jij het als gelovige ook. God kan wel tegen een stootje, hoor. Schreeuw het uit als je niet anders kunt. Dan heb je nog geen antwoord, maar wel een uitlaatklep. 

Volgens Elie Wiesel (in een boek, maar er is ook een hele film over) hebben enkele Joden in Auschwitz zelfs God durven aanklagen. Als het ergens mocht, was het daar. Ze bevonden God schuldig, of in ieder geval in gebreke gebleven, en gingen na het vonnis weer bidden. Een fascinerend verhaal. 

Jezus zou als ultieme Godsgezant van het christendom de kant van de klagers kiezen. Aan zijn kruis hoefde je van hem geen dooddoeners of goedgelovige rijmelarij te verwachten, hij scandeerde gewoon een klaagpsalm. ‘Waarom heeft u mij verlaten?’ Zo vereenzelvigde hij zich niet met de uitleggers of de ontkenners van het kwaad, maar met hen die erom huilen. God huilt mee, je hebt zijn sympathie.

Conclusie

Zo zit dat met mijn leed. 

* Ik ben er niet alleen in, de hele kosmos heeft een kruis te dragen. 

Gedeelde smart is geen halve, maar wel verbindende smart.

** Soms brengt het onheil mij persoonlijke loutering, of beland ik erdoor op wonderbaarlijke plaatsen. Die scheiding kan jou uiteindelijk naar een nieuwe toekomstige liefde brengen. Dat ontslag kan jou de moed geven om je leven om te gooien en gelukkiger te worden. Dat litteken van de rouw kan jou wijzer, aantrekkelijker, gerijpter maken. Soms lijkt ellende achteraf wel een godsgeschenk. 

*** Als ik dat maar nooit over andermans ellende zeg. En niet vergeet dat ellende soms alleen maar ellende is. Niet alle leed leidt tot iets goeds of is een vermomd evangelie. Het paradijs is hermetisch afgesloten.

**** Snelle antwoorden zijn er niet, mezelf kapot peinzen op het waarom is zinloos en maakt het vaak alleen maar erger. Lijden volgt geen logica.

***** Er wordt van mij niet meer vroomheid verwacht dan van de Bijbelschrijvers. Ook ik mag schelden op God zoals psalmisten, vechten met God zoals Jakob (of haar een tijdje negeren, want dat is hoe ik persoonlijk ruzie maak). Ik mag klagen en steunen – en er wordt hier en daar gefluisterd dat God dan met me meedoet.