Wat er na de dood komt, is een mysterie. En laten we dat ook zo laten.

Het idee dat je elkaar na de dood terugziet in de hemel, kan een enorme troost zijn. Maar toen Annelies haar moeder overleed, had ze niet zoveel aan dat hemel-geloof. Sterker nog, het wakkerde alleen maar vragen aan…

Wat er na de dood komt, is een mysterie. En laten we dat ook zo laten.

Als je gelooft ga je naar de hemel. Dat was voor mij gedurende mijn jeugd een onbetwist geloof. Naast de hemel was er dan ook een hel. Daar ging je naar toe als je niet geloofde. De hemel was een plek waar alles goed en mooi was: geen oorlog, geen pijn, niemand was daar arm en geen enkel dier kon jou opeten (ik was bang voor haaien). Het was ook een plek waar iedereen de hele dag God aanbad. Dat leek me mooi, maar wel wat eentonig.

Het geloof in een hemel en hel werd lastig toen ik het concreet moest maken. Vooral voor mensen in mijn omgeving die ongelovig waren. Die zouden dan naar de hel gaan. Ergens voelde het natuurlijk niet goed om dat te denken. Gelukkig kwam daar een uitweg voor. Ik leerde dat wij als christenen niet konden oordelen over mensen, dat zouden we aan God over laten. Dus als iemand vroeg of hij naar de hel zou gaan, kon ik gerust zeggen dat ik daar niet over kon oordelen. We konden blijkbaar wel oordelen of iemand naar de hemel ging, maar niet of iemand naar de hel ging. Probleem opgelost!

Dood was niet dood

Toen mijn moeder ziek werd en overleed ontstond er nieuw probleem in mijn hemel-geloof. Ik had vaak gehoord dat het een troost was dat de overledene nu bij God was. De dood was niet het eindpunt. De overledene was aangekomen op een ultieme bestemming. Daarbij waren sommigen er ook heilig van overtuigd dat ze elkaar weer terug zouden zien in de hemel. Dood was niet dood. Weg was niet weg. Dit was niet het einde.

In het jaar na mijn moeders overlijden ervaarde ik de rauwe en diepe duisternis van verlies. Elke stap in het ouderlijk huis, een blik in de slaapkamer, een sjaal die nog aan kapstok hangt, het laatste sms’je, een foto die plotseling opduikt; alles vertelde me dat dood echt dood was. Dat ze weg was en nooit meer terug zou komen. Nooit. Meer.

Ik duwde ook zelf de optie ‘geloven in een hemel waar ik haar weer tegenkom’ hardhandig aan de kant. Ik vond het eerlijker om midden in de duisternis van dat moment te gaan staan en het ten volle op me af te laten komen. Mijn moeder was er niet meer. Daarmee moest ik leren leven, ook zónder die troost van de hemel.

Iets weglaten is louterend…

Iets weglaten van je geloof kan heel louterend werken, heb ik toen gemerkt. Zonder het idee van de hemel vond ik namelijk toch troost. In het leven hier en nu. Mensen die zich zomaar over mij ontfermden, naar mijn verhaal luisterden en mij moed inspraken. Er kwamen van die ‘genade-momenten’ op mijn pad: dingen die zomaar wel de goede kant opvielen. Ik kreeg wel die baan en wel dat nieuwe huis. Langzaam vulde zich mijn leven weer. Het gat dat het verlies van mijn moeder had achtergelaten, werd iets minder diep.

Dat ik ook zonder het idee van de hemel troost vond, wakkerde nieuwe vragen aan. Bestaat de hemel überhaupt wel? En bestaat de hemel dan ook in combinatie met de hel? En wat doet het er eigenlijk toe? Ik ben nu tien jaar verder, maar echt antwoord heb ik nog steeds niet op deze vragen. Mijn oude hemel-helbeeld heeft de tand des tijds niet doorstaan, daar heb ik afscheid van genomen. Er is echter geen duidelijk idee voor in de plaats gekomen.

Leven na de dood

Recent zag ik een aflevering van het tv-programma De Verwondering. Daarin was schrijver en filosoof Hein Stufkens te gast. In die aflevering bespreekt hij de vraag of er leven na de dood is. Wat hij zei raakte me. Zijn antwoord is namelijk letterlijk: ik weet het niet. Hij vertelt dat hij eens aan een stervende vriendin vroeg: ‘Wil je me zometeen vertellen wat er na de dood is?’ Een paar weken na het overlijden verschijnt ze in zijn droom en zegt ze dat ze er niets over mag vertellen. De les die Stufkens eruit trok is dat hij zich moest overgeven aan het niet-weten. Het mysterie van wat er na dit leven komt, moest het mysterie blijven. 

Voor mij is niet-weten vaak synoniem aan ‘gemak’. Alsof je vanaf daar geen moeite meer hoeft te doen om ergens achter te komen. Maar dit keer voelt het als bevrijdend om het niet-weten als uitgangspunt te nemen. Eerst was ik overtuigd van het hemel-helconcept. Daarna wilde ik even niets anders geloven dan dood-is-dood. Nu merk ik dat het niet-weten mij meer doet verwonderen. Elke religie, ieder mens doet namelijk een poging om iets van het mysterie te vatten. We proberen allemaal een weg te vinden in de omgang met dood en verlies en juist dat is zo troostend.

De Chinese filosoof Confucius zei al: ‘Leren sterven is werkelijk leren leven’. Leven heeft voor mij te maken met vertrouwen. Vertrouwen dat mijn leven in Gods hand ligt, inclusief de bijbehorende mysteries. Dat vertrouwen wordt ultiem getest als je je ogen moet sluiten zonder precies te weten wat er gaat komen. Hopelijk heb ik nog een leven lang om daarin te oefenen.