Kerstverhaal | Bergschoenen, kip en pasta voor de wijzen uit het oosten

De wijzen uit het oosten zijn onderweg al hun bezittingen kwijtgeraakt en terechtgekomen in een godverlaten fabriek aan de rand van Bosnië. Daar worden ze ontdekt door drie dwazen uit het westen…

Kerstverhaal | Bergschoenen, kip en pasta voor de wijzen uit het oosten

(Click for English Version)

We zijn met z’n drieën. We komen niet uit het oosten en wijs zijn we ook niet. Waren we maar wijs, dan konden we misschien iets doen. Nu lopen we als mislukte kerstmannen met twee schoenendozen met gloednieuwe bergstappers en een tas met kip, pasta en rijst naar een godverlaten fabriek aan de rivier de Una in het noorden van Bosnië.

Als niemand kijkt, sneaken we de trap op, waden we door het stinkende water en banen we ons een weg naar boven. Daar wachten zes Egyptenaren en een Syriër op ons. We zeiden dat we terug zouden komen. Hopelijk schrikken ze niet zo hard als de eerste keer.
We ruiken de rook van het vuurtje al en zien uit naar de warmte. Het vriest hier, de torenkamer is een hopeloze kerststal, het jongste kind is geen baby, maar 17 jaar oud en wij zijn de drie dwazen uit het westen. Een journalist, een filmmaker en een dominee. Het begin van een grap, maar gelachen wordt er vooralsnog niet.

Vroeger wel. Toen had Ali van 23 z’n vrouw en z’n twee kinderen om zich heen. Mushaf had nog een baan en vrienden. Tot er gevlucht moest worden. Met hoop in het hart en lood in de schoenen. Kapotte schoenen ondertussen trouwens. Gelukkig hebben we nieuw schoeisel bij ons, schoenen voor The Game

Het kerstspel van de Balkan

Ze hebben allemaal The Game al gespeeld, hét kerstspel van de Balkan. De start is hier in het noorden van Bosnië, op een halve dag lopen van de grens van de EU. Het is een spannend spel, want je staat tegenover een overmacht aan tegenstanders. Wat neem je mee? Een slaapzakje, wat samengeperst brood, zelfgemixte energydrank en een route. Maar let op: op het pad naar de grens rijden grenswachten die je kunnen oppakken. Wil je door het bos, dan moet je oppassen voor de mijnen uit de Joegoslavische burgeroorlog. Grenswachten pakken je sowieso, die oude mijnen misschien.

Dus kozen ze net als de voorgaande keren voor het bos. Mannen, vrouwen, kinderen, jongeren: lopen! Dag en nacht, de grens over, berg op, berg af. Uitpuffend huilen voor de top. En weer door. Laatste energydrank erin.

Ze leken dit keer aan de winnende hand, maar op dag twaalf gebeurde het alsnog: honden, zoeklichten, klappen met wapenstokken. Ze werden meegesleept naar een gebouwtje, moesten hun broeken en schoenen uitdoen en inleveren, ondanks de kou. De grenswacht moest pissen en deed dat over hen heen. Het was even warm, maar zo, zo smerig. Daar gingen hun telefoons, totaal vermorzeld onder de laars van een grenswacht. Jammer joh.

Ze wisten intussen al wat er vervolgens ging gebeuren. Dit was namelijk al de vierde keer. Zonder schoenen en broek werden ze opnieuw teruggebracht naar de grens die ze hadden overgestoken. Level niet uitgespeeld, ze mochten weer opnieuw beginnen.

Wij zijn drie dwazen uit het westen en zij serveren ons thee. Zo uit een gore pan in een gore beker, verhit op een vuurtje van brandend plastic en nat hout. Het is niet alleen de rook die onze ogen doet tranen.

Stal waar mensen zich verschuilen

’s Middags waren we de lege fabriek al binnengestapt. Geen ster die ons de weg wees, je kon gewoon op de geur van vuur af gaan. Dit was de stal waar mensen zich verscholen voor ze hun weg vervolgden. Alles was er goor en grijs en beneden was er niemand te zien. Daarom liepen we de trappen op maar de trappen op. Al snel stonden we op het dak. De zon schoot haar laatste prachtige stralen over de horizon, toch nog licht op ons pad?

We roken opnieuw de geur van vuur. Er was nog één trappetje. Smal en glad. Gedrieën klommen we omhoog en staken ons hoofd om de hoek van een torenkamer. Zes Egyptenaren en een Syriër schrikken zich dood. ‘Politie?’ ‘Nee, geen politie.’ ‘Kom dan maar binnen.’

De door het leven wijs geworden mannen uit het oosten schonken ons rijke westerlingen thee. En zij vertelden de verhalen over het Europese kerstspel. We brachten geen geschenken mee, we hadden geen idee. Dus we vroegen naar hun schoenmaat en spoedden ons naar de winkel. Bergschoenen voor The Game en kip, pasta, rijst, plastic bekertjes voor de volgende ronde thee. Misschien beschermen die ons tegen tyfus, schurft en cholera. 

Er is niet zoveel veranderd

We horen dat er gisternacht nog een papa, mama en een baby in buggy uit de bergen gehaald zijn door de grenspolitie. Die was er nog net op tijd bij, want het drietal was vastgelopen in de sneeuw, verkleumd en wanhopig.

Misschien is er toch niet zoveel veranderd sinds de vlucht van Jozef en Maria voor de hondsdolle dictator Herodes. De ezel heeft plaatsgemaakt voor een buggy, maar dat is een beroerde ruil in deze omstandigheden.
Wel is het grensbeleid veranderd. Als Egypte in het jaar nul ook een door de Europese Unie gesubsidieerde bewaking had kunnen installeren met 6.500 grenswachten die met toewijding vluchtelingen vernederen, dan hadden we hier in Europa geen zogenaamde christelijke traditie hoeven te beschermen tegen zogenaamd islamitisch gevaar. Dan waren beide tradities nooit geboren. Die waren dan -door de EU gesubsidieerd- vastgelopen op de Egyptische grens, als de Afghaanse buggybaby in de Bosnische bergen.

Als mijn vingers wat zijn opgewarmd door de thee, typ ik op mijn telefoon in Google Translate: dank voor jullie warme gastvrijheid. De vrolijke 17-jarige Egyptenaar naast me, met de verse beten van Kroatische grenshonden in z’n benen, leest de vertaling en er verschijnt een brede grijns op z’n gezicht. Opgetogen laat hij het aan z’n vrienden zien. Die staan op, grijpen onze handen, geven een knuffel.

Voor heel even lijkt de torenkamer te veranderen in het ouderlijk huis in Caïro, het rokerige vuurtje in een brede schouw en het stof op de vloer in warme Arabische tapijten. Even zijn de mannen geen overtallig opgejaagd wild meer, maar kasteelheren in hun eigen torenkamer. En wij, de drie dwazen uit het westen drinken thee en zijn dankbaar dat wij even bij hen thuis mogen zijn. 

Hou op met helpen, kom zitten

‘Weet je wat het ergste is’, vertrouwt het Egyptische kerstkind van dienst me toe, ‘als ze je eten komen brengen, het neerzetten, geen woord zeggen en weer vertrekken. Dan liever honger. Écht.’
Het zijn niet de dekens, de schoenen, het tasje van het Rode Kruis. Wij zijn het zelf. En als je het zelf niet bent, dan hoeft het niet. ‘Hou toch op met helpen. Kom zitten, drink thee, en laat de foto’s van je kinderen zien. Dan toon ik de mijne.’

We brengen geen goud, wierook en mirre mee. Hier is een warme handdruk meer waard dan het zuiverste goud, ruikt het brandend plastic en natte hout beter dan de pauselijke wierook in de gangen van het Vaticaan en is de thee uit de gore pan en de gore bekers helender dan de duurste mirre. 
Vrede op aarde, bij de mensen des welbehagens. Ook aan de rivier de Una, in noord Bosnië, op loopafstand van de grenzen van het beloofde land.