Rob maakt zijn handen vuil: 'Ik weet even niet meer waarvoor ik het doe'

Vluchtelingen op Samos leven op een vuilnisbelt. Rob werkt met man en macht om het vuilnis weg te werken, maar er lijkt geen einde aan te komen… 

Rob maakt zijn handen vuil: 'Ik weet even niet meer waarvoor ik het doe'

‘My friend, can I have one, please?’ Alsof het smartphones zijn, zo gewild zijn de vuilniszakken die we uitdelen op de berghelling naast het officiële vluchtelingenkamp op Samos. Meer dan 6.000 kinderen, vrouwen en mannen leven er in tentjes en kippenhokjes, opgetrokken uit takken en stukken plastic. Er is geen elektriciteit en er is geen vuilnisophaaldienst. Sinds kort staan er Dixi’s langs de modderweg die de berg op krult, maar voor veel gezinnen is de klauter- en glijpartij ernaartoe een te grote moeite. 

Ik weet het niet meer

Vandaag is zo’n dag. Zo’n dag dat ik het allemaal even niet meer zo goed weet. Hoe lang gaat het lijden van deze mensen nog door? Wat ik doe met m’n leven? Heeft het zin wat we hier als vrijwilligers doen? Die 5.000 kilo aan afval die we elke week van de berg halen. De troep die we vandaag opruimen is volgende week vervangen door nieuwe. 

En erger: de mensen die leven op de berg, zitten er volgende week ook nog. En bovendien vind ik mezelf vandaag ook nog zielig. Ik stink, ben hondsmoe en krijg leuke berichtjes van thuis. Dat de kerstboom de kamer zo gezellig verlicht. 

Stamppot van uitwerpselen

Met frisse tegenzin trekken we – vier Europese vrijwilligers en zes Syrische vluchtelingen die zelf in de jungle wonen - iedere dag de jungle in, gewapend met bundels vuilniszakken en tuinhandschoenen. Op zoek naar de stukken niemandsland waar afval zich het liefste ophoudt. We ruimen op, delen zakken uit en leggen omwonenden uit hoe ze hun omgeving schoon kunnen houden.  

Ik moet even slikken. Sommige afvalbergen hebben de afmeting van een huiskamer. Het is er vochtig en er zit voedsel tussen: ideale broedkamers voor ratten en bacteriën. Eén hoop is bovendien het eindstation van een zelfgebouwd toilet. Vier stokken in de grond met een stuk tentdoek eromheen gewikkeld. De geïmproviseerde afvoer drupt nog na. 

Het is een schouwspel van bonte kleuren. Honderden oranje plastic verpakkingen van de ziekenhuismaaltijden die elke dag het kamp in gebracht worden, rotten weg in een stamppot van uitwerpselen en ander vuil. Volle luiers met een leuk printje, een kapotte schoen, een gescheurde bloemetjesblouse, maandverband, etensresten. En petflessen met een diepgele vloeistof: molotovs. Trap er niet op, want dan knappen ze. Ik ben er inmiddels aan gewend; de zure lucht van urine in m’n bergschoenen.

De geur van hoop

Leven op een vuilnishoop is ongezond. De kinderen met rattenbeten getuigen ervan. Maar het doet ook nog iets anders, iets waar geen antibiotica tegen opgewassen is. Wie leeft tussen het afval, gaat zich voelen als afval. 

Ik hoor het in wat mensen me vertellen. ‘We’re slowly rotting away here.’ ‘I’m ashamed to live like this.’ De omgeving vertelt een boodschap: kijk eens om je heen, of beter: doe je ogen eens dicht en ruik. Is dit de geur van hoop?  

Niet nadenken wat je vastpakt, gewoon doorgaan 

Vrijwilligers en Syrische en Afghaanse gezinnen in de jungle - samen gaan we aan de slag. Niet nadenken wat je vastpakt, gewoon doorgaan. Weer een vuilniszak vol. Ik werk zij aan zij met een vrouw uit Syrië. Haar kinderen staan op afstand met opgetrokken neus te kijken naar wat mama aan het doen is. Het is als een nachtelijke wandeling door een donker bos. Je zou er nooit in je eentje aan beginnen, maar als iedereen meegaat, krijg je lef. 

Na twee uur rapen, scheppen en trekken, stuiten we op een oud matras. Het is donkerbruin en zeiknat. Slecht nieuws. Op één heldhaftige Syrische vluchteling na doen we allemaal een stapje terug. Minstens vijftig ratten stuiven in paniek weg als hij met een ruk het matras optilt. Voorzichtig stappen we de kuil weer in. Net iets alerter dan ervoor gaan we verder. Bewoog er nou iets in die zak of was dat de wind? 

Langzaam slinkt de kluwen van afval. Een stinkende zwarte krater blijft over. In een lange stoet dragen we honderd vuilniszakken van de berg naar de weg beneden. Ik kijk nog één keer over m’n schouder. 

Hemels perspectief

Aan de rand van de open plek, voor een huisje opgetrokken uit stukken plastic zit een vrouw op een zeiltje. Ze heeft een zuigeling op schoot. Ze wijst op de vuilniszak vol troep die ik vasthoud en knikt dankbaar. ‘You’re welcome’, knijp ik eruit. Van binnen steekt er iets. 

Alle Bijbelteksten over hoop ten spijt, vandaag is het stil boven. Zo’n dag waarop het licht niet aangaat. Ik mis het hemelse perspectief. Dat God de wereld uiteindelijk in zijn hand houdt. Dat God deze vrouw, dit kind kent en liefheeft. En al die andere krachtige beelden die me doorgaans steun bieden als de waanzin van de vluchtelingencrisis en de omvang van het verdriet me raken. 

Morgen schijnt wellicht de zon. Vandaag ben ik verdrietig om 6.000 mensen die leven op een vuilnisbelt. Punt. 

Wil je Rob een hart onder de riem steken, laat een berichtje achter op zijn Facebook. Je vindt meer over Rob en zijn werk op zijn website