Godzoekers: het is genoeg dat God je ziet, in plaats dat jij Hem ziet…

Voor iedere godzoeker komt het moment dat hij eerlijk moet worden over zijn geloof. Er zullen godsbeelden sneuvelen. En het geloof dat rest, zal steeds goddelozer worden. Een hoopvolle gang van zaken, vindt Rick. Hij legt uit waarom.

Godzoekers: het is genoeg dat God je ziet, in plaats dat jij Hem ziet…

'Niemand heeft ooit God gezien.' Die uitspraak van Johannes is mij dierbaar, omdat die dwingt tot eerlijkheid. De woorden wachten erop om binnengebracht te worden in je innerlijk, om samen een strooptocht af te leggen. Woorden die uitnodigen om tot een radicale eerlijkheid te komen, zodat je kunt kijken naar wie of wat de God is waarin jij zegt te geloven.

De weg van de waarheid gaan, daar zal iedere christen vroeg of laat aan moeten beginnen en dan is het bidden om moed. Op weg gaan naar de diepten van je innerlijk waar Hij (wie?) hopelijk op je wacht. Je zult scheren langs gevaarlijke afgronden. Het gevoel erin te pletter te slaan is steeds dichtbij. Zul je alles wat je geloofde verliezen nu je omwille van de waarheid je geloof in de waagschaal legt? Goddeloosheid valt over je. Over jou, die toch zichzelf christen noemt – maar voor hoelang nog?

Een goddeloos godsgeloof

Goddeloosheid is een hoopvol spoor. Want God kan lang een persoon, wezen, ding zijn – hinderlijk verhuld – en het is wachten tot hij volledig uit je leven verdwijnt. Een goddeloos geloof, dat is niet geen geloof. Het is een grotendeels uitwissen van de dingen waarin je bent gaan geloven. Omdat veel daarvan God niet is. Omdat niemand God ooit heeft gezien.

Pas met de wisser in je hand kun je iets nieuws op het spoor komen. Iets waarvan je misschien zegt: dat zou weleens geloof kunnen zijn. Een sprankel puurheid. Niet dat je enig idee hebt wat daarmee aan te vangen, maar dat zal wel komen. Dat zal Hij dan ook wel tonen.

Maar kan zo’n goddeloos Godsgeloof ook houvast bieden? Zoeken naar de aard ervan heeft immers geen zin. Wij zoeken met ons bewustzijn, of met heel ons hart zelfs, maar wij kunnen God enkel maar benaderen op z’n mens, en wat wij menselijk vinden is wat God niet is.

Steeds weer nieuwe godsbeelden

En toch doe je dat, want je kunt niet anders en je moet ergens beginnen. Je zoekt en leeft voort met steeds weer nieuwe godsbeelden; hoe oprecht je verlangen naar waarheid en puurheid ook is, aan godsbeelden ontkom je niet. Want hoe moeilijk is het ook niet? Zoeken in de wetenschap dat je nooit echt zult vinden. Nooit naar volle bevrediging een antwoord zult krijgen. Altijd weer opnieuw op pad moeten. Natuurlijk, er zullen genadevolle momenten zijn, zoals Mozes die kende toen Hij de Heer ontmoette in het brandende braambos – maar ook daar lag God niet als een cadeau onder, klaar om op- en uitgepakt te worden.

Met een blijvende en knagende onrust moeten wij verder. Geloof is verandering. Zonder verandering is er voor een christen geen leven – en voor niemand. Want God is er niet uitsluitend voor christelijke zoekers. God is geen christen. Hij zoekt ons allen, voortdurend, hartstochtelijk als een minnaar.

Jezus leert ons God kennen

We hebben net Kerst gevierd en afgelopen weken hebben wij misschien wel naar wat geloof gezocht om te kunnen zeggen dat God in Christus mens is geworden. Voor een christen is dat natuurlijk geen onbelangrijk geloof, het is de kern. Jezus kan de ultieme gids zijn op onze zoektocht naar wie God voor ons wil zijn, omdat God zichzelf in Jezus openbaarde. Want Johannes zegt dan wel: ‘Niemand heeft ooit God gezien’, hij laat daarop volgen ‘maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen’.

Niet dat God 2000 jaar geleden in de persoon van Jezus voor het eerst opdook in onze geschiedenis, en zeker ook niet voor de laatste keer. Hij verschijnt en staat buiten de tijd, en daardoor lijkt Hij ons te snel af. Ongrijpbaar, vluchtig. En toch: indrukwekkend, van blijvende aard, steeds anders, steeds nieuw. Hij laat je in verrukking achter.

Maar ook verzuchten wij, wanneer wij hebben kunnen zien dat het God was die wij mochten ontmoeten, omdat wij hem niet herkend hebben. Wij wisten niet dat ook dàt God was. Dat hij ook daarin was.

Een vreemde, in zekere zin, en toch zo vertrouwd.

Jij hoeft hem niet te zien

Wat moet je daar nu mee? Met zo’n wankelbaar geloof, klein en arm van geest. Er toch maar weer energie in steken? Op de knieën hem zoeken, gebogen over een Bijbel? Proberen Hem vast te houden. Naar Hem speuren op plekken waar je eerder geweest bent. Waar Hij eerder was. Waar Hij je kan bevestigen: ja, dat ben ik, zo ben ik, op die manier kun je mij begrijpen. Maar wat voor zin had het voor Mozes om terug te keren naar het braambos? Niets zou hij er gevonden hebben.

Niemand heeft ooit God gezien… Dat wil misschien alleen maar zeggen, dat wij niet goed weten wat we zullen vinden. We zien slechts wat sprankjes. En als je goed kijkt, over je schouder, ligt je levenspad ermee bezaaid. Geloof is dan: Hij zal ook in wat komen gaat op mij afkomen. Maar verwacht niet te snel dat je Hem de volgende keer wel zult herkennen. Het zal genoeg zijn dat Hij jou ziet. Want dáár draait het allemaal om: niet jij ziet Hem, maar Hij ziet jou en met die blik kijkt Hij jou tot leven.

Foto: Sebastian Voortman