Bizar bijbelverhaal: over aambeien en een God die zich niet voor het karretje laat spannen

Alain duikt in een bizar bijbelverhaal over een aambeienplaag: op het eerste oog verre van inspirerend en bizar. Maar schijn bedriegt.

Bizar bijbelverhaal: over aambeien en een God die zich niet voor het karretje laat spannen

Niet alle Bijbelverhalen zijn even inspirerend, dat weten alle gelovigen en de meesten durven het nog toe te geven ook. Toch moet je ook niet al te snel je eigen canon gaan vormen en alle minder aansprekende verhalen bij voorbaat afserveren. Een mooie regel voor het leven: je vindt tussen de shit soms ineens een klompje goud. Ik bedoel dat in dit geval vrij letterlijk, want… Nou ja, volg me maar naar deze obscure heilige teksten.

De Filistijnen vallen de Israëlieten aan (te vinden in 1 Samuel 4). Dat gebeurt talloze keren in de Bijbel. Deze keer hebben de Israëlieten een fantastisch idee: ze laten de priesterzonen komen met de Ark van het Verbond om de overwinning af te dwingen. Die priesterzonen doen alles voor een lekker stukje vlees, dus die zijn gauw om te kopen. Daar lopen ze dan met de Ark -  waarvan men zegt dat God er altijd in de buurt is - tussen de militairen. ‘Gott mit uns’, zo’n historisch akelige strijdkreet klinkt er nu bij de gelovigen. ‘Nu kunnen we niet verliezen’. De Filistijnen horen dat God zich in de Israëlitische gelederen bevindt en gaan extra hard hun best doen.

God voor niet voor je karretje

Israël verliest. Dat had niemand zien aankomen – je kunt God nu eenmaal niet voor je karretje spannen zodat hij al jouw gevechten voor je wint. God had er geen trek in en laat zich liever door de Filistijnen gijzelen dan dat hij hier het precedent schept van een strijder-god die braaf zijn kunstje doet als z’n dragers hem naar het strijdveld sjorren. Zo triomferen de Filistijnen en dragen ze de Ark van het Verbond mee naar hun eigen tempel. God is geannexeerd en monddood gemaakt.

Dat hadden ze gedacht. ’s Ochtends vinden ze hun eigen hoofdgod, Dagon, plat op z’n snufferd. De God van Israël is op andermans grondgebied beland en begint daar op eigen houtje de vijand te klieren. Intussen ontstaat er een muizenplaag en een aambeienepidemie bij de Filistijnen, waardoor ze overdag keutels opruimen en zelf pijn hebben bij het kakken. Zo plat kan het eraan toegaan in de Bijbel. De Filistijnen begrijpen: we hebben deze God dan wel overmeesterd, maar toch zijn we nu in haar greep in plaats van andersom.

Elk volk z’n eigen god

Om te begrijpen hoe bizar dat is moet je je verplaatsen in de cultuur van toen. Elk land, elk volk had een eigen godheid. Stak je een grens over, dan kwam je in het domein van een andere godheid. Daar golden andere regels, andere normen, andere plichten. Elke godheid had eigen voorkeuren en bemoeide zich alleen met z’n eigen grondgebied. Veroverde je een ander volk, dan was jouw god sterker dan hun god. Je kon hun god in je tempel erbij zetten, of je sloeg gewoon de godenbeelden kapot en de god raakte in de vergetelheid. Zo werkte het – een god stak in ieder geval nooit zelf een grens over.

Nu wel. Maar wat is de les daaruit? Niet de platte spierballenles dat de God van Israël de aller-allersterkte god is. Dan heb je weer zo’n testosterongodheid, die het uiteindelijk op een krachtmeting laat aankomen. Nee, het gaat deze God niet om zijn eigen gekrenkte eer. Het gaat hem om iets heel anders: in de Ark van het Verbond zitten namelijk de Tien Geboden. Daar in Filistea wil God de boodschap overbrengen dat niet voor elk volk eigen goden en regels zijn (die altijd verdacht veel rijmen op de persoon en de wil van de koning die daar toevallig op de troon zit). Nee, er zijn universele waarden die, ongeacht wie er in de tempel woont of op de troon zit, voor alle mensen gelden. Ook voor de Filistijnen. Niemand is vrij van die verplichtingen, niemand wordt buitengesloten van de beloften.

God gaat internationaal

Als de Filistijnen via hun aambeien te verstaan wordt gegeven dat de waarden van Israël ook voor hen gelden, gaat dat om de inhoud van de Tien Geboden. Ze hoeven 1) voor niets of niemand bang te knielen 2) niet te denken dat een echte God in hun handen past 3) niet te denken dat ze God kunnen laten buikspreken 4) niet mee te draaien in een 24/7 economie 5) zich niet waardeloos en overtollig -of noem het voltooid- te voelen als ze ouder zijn 6) niet te doden om zelf in leven te blijven 7) niet te leven in een land waar je liefde niet veilig is 8) niet neurotisch naar andermans eigendom te gluren 9) elkaars bestaan niet door leugens te bedreigen 10) niet te denken dat het gras groener is aan de andere kant van de heuvels.

Voor het eerst gaat God echt internationaal, en dat betekent eigenlijk heel goed nieuws voor de Filistijnen en voor alle mensen. De Tien Geboden, de ultieme wetten van de vrijheid, zijn er voor alle mensen van alle tijden.

Gouden aambeien

Maar hoe komen we nou van onze aambeien en muizen af, vragen de Filistijnen zich nu nog af. Ze vragen het aan de wijze waarzeggers en priesters van hun land, die inmiddels ook elk spoor bijster zijn. ‘Stuur die God van Israël maar weer naar Israël, alstublieft, en maak vijf gouden aambeien en vijf gouden muizen als rente om het goed te maken’. God zal zich in z’n eentje helemaal slap hebben gelachen om dit idee, en geneest de Filistijnen dan ook maar van hun kwalen.

God gaat terug naar eigen grond, de Filistijnen hebben een schone kont. De Israëlieten zien ineens de Ark van het Verbond terugkomen. Voortaan gevuld met Tien Geboden, Vijf Gouden Aambeien en Vijf Gouden Muizen. Een kistje vol, en een komisch verhaal. Maar tegelijkertijd een kleine revolutie, want het is de eerste aanzet voor universele rechten en plichten voor de mens in plaats van ‘ieder stadje heeft haar eigen wetjes en godjes’.