‘Ik zou zondagochtend in de kerkbanken moeten schuiven, maar ik doe het niet’

Annemieke is verhuisd en haar visite informeert of ze al een kerk heeft gevonden in haar nieuwe woonplaats. Dat is niet het geval en als ze eerlijk is gaat het voorlopig ook niet gebeuren.

‘Ik zou zondagochtend in de kerkbanken moeten schuiven, maar ik doe het niet’

Enkele maanden geleden ben ik met mijn gezin vanuit de Achterhoek naar het midden van het land verhuisd. Na weken van muurtjes schilderen en dozen uitpakken begint de nieuwe plek als thuis te voelen. Ik leg okergele kussens op onze oude doorzakbank en ik schik tulpen in de sapkan. Nu de lucht zo zacht is, kunnen de balkondeuren best even open, al doet de wind de nieuwe gordijnen opbollen. Ik kijk om mij heen en zie dat het goed is.

Een fijne gemeente gevonden?

Er staan mensen op de stoep, Utrechters en Achterhoekers, lieve tantes en oude vrienden. Ze nemen chocolaatjes mee, zelfgebakken peperkoek en nog meer bloemen. Ik duik in de laatste verhuisdoos, wikkel mijn vazen uit theedoeken en zet de eettafel en de vensterbanken vol met narcissen en bloesemtakken.

'En,' vraagt een voormalige buurvrouw, 'heb je al een fijne gemeente gevonden?'

Ik neem een haastige hap van mijn kruidkoek en denk na over een passend antwoord. In de Achterhoek ging ik al zeker een jaar niet meer naar een kerk. Ik vertelde mijzelf en anderen dat ik een pauze nam, en dat ik de kerkgang binnenkort weer op zou pakken. Zodra ik verhuisd was, zou ik op zondagochtend weer op tijd uit mijn bed komen, naar een kerkgebouw fietsen, luisteren naar een preek, mijn ogen sluiten en de zegen ontvangen. En daarna, koffie drinken, een praatje maken en mij niet ergeren. Ik zou mij vooral niet meer ergeren, ik zou mild zijn voor mijn medechristenen, want ook ikzelf kan regelmatig een draak zijn, ook ik doe mijn stinkende best en sla, ondanks dat, regelmatig de plank mis.

Zeker, zeker ben ik christen

Zo is het natuurlijk. Ik zou de gebrokenheid moeten accepteren, omarmen zelfs. Gewoon weer op zondagochtend op de fiets stappen en in de banken schuiven, maar ik doe het niet. Ik ben verhuisd, ik ben uit de rommel, ik heb geen smoes meer over, en nee, aankomende zondag ga ik ook niet.

Ben je nog wel gelovig? vraagt de visite. Noem je jezelf nog christen?

'Zeker, zeker', zeg ik, en ik meen het.

Wanneer ik door het prille lentebos dwaal staat elke struik in lichterlaaie. Alles juicht.
Wanneer de NOS meldt dat de grenzen gesloten blijven voor de duizenden vluchtelingen die kamperen tegen een steile, modderige  berghelling - lekke tenten, geen wc's – dan wordt Jezus opnieuw geboren in een vieze stal, vlucht hij in het holst van de nacht naar Egypte, hangt hij naakt aan een kruis. Alles huilt.

De God tot wie ik niet hoef op te klimmen, de God die afdaalt omdat hij zo graag relatie wil met zijn schepping, al wordt het zijn dood, ach, laat die God bestaan. Daar wil ik mijn mosterdzaadjesgeloof in blijven planten.

Alleen die kerk, al die andere christenen, die maakte mij zo moe, zo moe. Nee. Dat is niet helemaal waar. Mogelijk werd ik vooral erg moe van mijzelf.

Geboren en getogen in de kerk

Ik ben zo'n beetje geboren en getogen in de kerk en alles wat daarbij hoort. Ik ging naar de zondagschool, de kinderclub en naar christelijke jeugdkampen. Mijn liedjes waren geestelijk, mijn vriendjes waren kerkelijk, mijn witte gehaakte kniekousen waren degelijk. De keren dat ik verhuisde van woonplaats, wat nog weleens gebeurde, voelde ik mij in eerste instantie onwennig en een beetje verlegen. Dan schoof ik op zondagochtend in een kerkbank, zong ik een psalm of opwekkingslied, ontving ik een zegen, en werd ik naderhand als vanzelfsprekend thuis uitgenodigd bij een gelijkgestemde. Wij begrepen elkaar. We baden voor de bolletjes brood en de kippensoep, we zeiden jeemienee en we hadden de Christenen voor Israel-verjaardagskalender in de wc hangen.

Lang heb ik medechristenen als een soort familie gezien. Ik voelde mij op mijn gemak bij hen, sprak met het hart op de tong, en geloofde een ieder op zijn woord.
Eigenlijk doe ik dat nog steeds, ik kan het niet helpen, lijkt wel. En elke keer ben ik vreselijk teleurgesteld als blijkt dat iemand die zegt Christus te volgen zich rottig gedraagt. En ze gedragen zich rottig. Natuurlijk. Christenen zijn net echte mensen. Ook ikzelf. En daar ben ik dus vreselijk moe van.

De kerk werd een bos

Toen ik de kerk verliet, voelde het alsof ik een moeder verliet. Het was alsof ik mij los scheurde van diegene die mij voorzag van voedsel en veiligheid. Ik voelde mij ontheemd. Ik voelde mij schuldig.

Maar daarna werd het stil. Zo stil ook in mijn hoofd. Het was alsof ik vrijer kon ademen. Ik verving de kerk door het bos, de Christenen voor Israel-kalender door eentje van Amnesty International, en kerkgangers door... Gewone mensen.

Onlangs stuurde een vriend mij een plaatje van een bronzen sculptuur, gemaakt door kunstenaar Timothy P. Schmalz (zie foto boven). Op een parkbankje ligt een persoon onder een verfrommelde deken, aan zijn opgetrokken knieën en schouders kun je zien dat hij het koud heeft. Zijn gezicht is bedekt, onherkenbaar. Het is een thuisloze, een anonieme figuur die geen betere plek kon vinden om zijn vermoeide hoofd neer te leggen. Wanneer ik beter kijk zie ik dat zijn naakte voeten onder de deken uit steken. Zijn voeten zijn doorboord.

De sculptuur staat buiten een kerk, op de stoep bij de ingang, lees ik.
Mag ik hier even zitten? Mag ik hier op de hoek van het bankje zitten, ergens buiten een kerk, en enkel mijn hand op de verwonde voeten leggen?

Op een dag zal ik naar binnen gaan. Op een dag zal ik mij opnieuw aansluiten bij een plaatselijke kerk. Ik zal mij laven aan het brood en aan de wijn, mij optrekken aan mijn broeders en aan mijn zusters, die net zo onvolmaakt zijn als ikzelf, en mij verwonderen over oude verhalen en diepe rituelen. Maar vandaag zit ik op de stoep bij de ingang naast de thuisloze Jezus, naast de God die zich volkomen vereenzelvigt met een mens zonder enige opsmuk.

Foto boven: Homeless Jesus van Timothy Schmalz