‘Mens, waar ben je?’

Het is een van de eerste vragen die God stelt in de Bijbel: ‘Mens waar ben je’. Als Marjon over die vraag nadenkt, kruipt het schuldgevoel omhoog… Maar is dat de bedoeling?

‘Mens, waar ben je?’

In de periode van Pasen tot Pinksteren is er flink wat verkeer tussen hemel en aarde. Van Jezus die afdaalt naar het graf, herrijst, hier en daar verschijnt, opstijgt naar de hemel, waarna de Heilige Geest de omgekeerde weg aflegt. En daartussendoor zijn er allerlei verhalen van mensen die Hem ontmoeten of net mislopen. 

Maar waar bevind ik me eigenlijk? 

Als je me vraagt
waar ik ben

Dan ben ik te vaak
niet op de plek 
waar ik denk 
te moeten zijn
Loop ik gehaast
terug in de tijd
terwijl mijn hoofd blijft
hangen in zorgen van morgen
of ronddobbert op 
sussende golven van
doelloos vermaak
die zomaar omslaan
in stormen aangejaagd
door het tekort dat ik nalaat

En daar tussen nergens en overal
ben ik
mens

Ik heb het best vaak het gevoel dat ik God misloop. Dat ik niet op het juiste moment, op de juiste plaats ben met de juiste aandacht en mindset. Klinkt gek voor iemand die gelooft dat God overal is, maar toch is het zo. 

Opgeslokt door de waan van de dag 

Zo vraag ik me met regelmaat af of ik in het voorbijlopen van de ander ver weg en dichtbij, niet te veel in mijn comfortabele bubbel blijf en te weinig de rafelranden opzoek. Rafelranden waarvan in de Bijbel wordt gezegd dat God juist daar zich laat vinden. 

Op andere momenten twijfel ik of de tijd die ik aan God wijd wel genoeg en gefocust genoeg is. Of er wel genoeg ‘stilte’ is om de andere kant te horen. Want als ik ergens slecht in ben, is het dat. In de stilte zijn mijn gedachten als treinen, op 20 sporen tegelijk en dan ook nog kriskras door elkaar. En lukt het wel om stil te worden, dan merk ik hoe ik vervolgens alsnog helemaal opgeslokt wordt door de waan van de dag en mijn gevoel van waarde wordt bepaald door wat me naar tevredenheid lukt. Waarbij de lat altijd hoger kan. 

Geen verantwoording, maar uitnodiging 

En dan die vraag: ‘Mens, waar ben je?’ Zo’n vraag die vooral m’n schuldgevoel kan voeden door er nog eens extra in te wrijven dat ik op allerlei manieren niet ben waar ik had moeten zijn. Mijn eerste reactie varieert van excuses, tot zwijgen en van berouw tot goede voornemens om het beter te doen. 

Toch geloof ik inmiddels dat er nog een tweede laag in deze vraag zit. Eentje die niet ter verantwoording roept, maar uitnodigt. Die geen onoverbrugbare afstand schept, maar eng dichtbij komt. Omdat er wordt gevraagd waar de mens in mij is. Niet de mens die ik zou willen zijn of denk te moeten zijn, maar de mens die ik ben. Die níet op het juiste moment op de juiste plaats is, omdat ze dat niet kan. Of niet durft, geen zin heeft, het zich wel voorneemt, maar het even makkelijk weer vergeet. 

Die mens, die ik ben, wordt gevonden te midden van haar deels zelfgecreëerde chaos vol goede bedoeling, hoge latten, voornemens, gemakzucht en tekort. 

Dat weten geeft me ruimte om mens te zijn.