Jean-Jaqcues preekt voor een lege kerk: 'Ik sta in een kerkgebouw vol niets'

Door het coronavirus zijn de kerken leger dan ooit. Jean-Jacques staat te preken voor een camera in een lege kerk. Waar houdt hij zich aan vast?

Jean-Jaqcues preekt voor een lege kerk: 'Ik sta in een kerkgebouw vol niets'

De lezing van de zondag is uit Johannes 21. ‘De leerlingen van Jezus hadden de hele nacht tevergeefs gevist,’ preek ik. ‘Ze zaten in een bootje vol niets.’

Net als ikzelf, denk ik. Want ik sta tegenwoordig in lege kerken. Leeg geveegd door het coronavirus. De ouderling geeft geen hand meer. Ik glimlach tegen kale stoelen en banken. De zegen die ik uitspreek komt hol naar mij terug. Na afloop van de dienst geen groet met ‘Dankjewel dominee’ of een peinzend: ‘Daar moet ik nog eens over nadenken’. 

Wel zijn er altijd een paar mensen die de opnames verzorgen voor de uitzending op internet. Maar die zijn vooral bezig met hun apparatuur en houden afstand. Er zijn voorgangers die hun gemeenteleden vragen om een foto op te sturen, die ze vervolgens tegen de kerkbanken plakken. Valt er toch wat te zien, inclusief vakantiekiekjes met gebronsde gezichten achter een groot glas bier.

Een wonder

Net als die leerlingen in hun bootje, sta ik in een kerkgebouw vol niets, ja in een wereld vol niets. Buiten ligt de straat verlaten, de stad is stil, slechts honderd kilometer hoger begint het grote zwijgen. ‘De eeuwige stilte van het oneindige heelal’ zoals de denker Pascal trillend schreef.

Ik houd de preekstoel vast. Wat was er voordat ik er was? Niets. En wat zal er zijn straks na mijn dood? Ook niets, zeggen velen. En toch ben ik er, hier en nu. Ik adem, ik voel, ik hoor mezelf preken en bidden. Dat ik er ben, dat er iets is in plaats van niets – dat is een wonder. Een godswonder, denk ik verbaasd.

Soms moet ik vastlopen in mijn gewone denken en doen om te beseffen dat het leven niet vanzelfsprekend is. Dat mensen en de zo vertrouwde kerk een wonder zijn. Zoals ook bij de leerlingen, in hun bootje vol niets, de ogen opengingen. Wat zien ze? Een Onbekende aan de oever die hen toeroept dat ze hun net niet aan de gewone, vanzelfsprekende kant moeten uitgooien, maar aan de andere kant. En verbijsterd zien ze hoe het vol spartelend zilver stroomt.

Mijn ogen zwerven door de kerkzaal. Waar is de leegte gebleven? Ik voel de aanwezigheid van al die mensen die thuis meekijken achter hun scherm. Die de liederen meehummen, een kop koffie omgooien, de hond zeggen dat hij niet moet piepen, die via de chat een voorbede indienen.

De kerk stroomt vol.