'Wat moet ik toch met dat gat in mijn ziel?'

'Ik heb het ontrafeld en overschreeuwd, gewiegd en weggeslikt. Maar het is er nu eenmaal, dat vleugje ongeluk', zegt Annemieke. Is dat nou een 'God-shaped hole' dat naar God wijst, of is het iets anders? Hoe moet je ermee omgaan?

'Wat moet ik toch met dat gat in mijn ziel?'

Deze week las ik een boek van Dirk De Wachter, 'De kunst van het ongelukkig zijn'. Honderd bladzijdes vol milde woorden en poëtische zinnen. Respectvol en gevoelig spreekt de Belgische psychiater over de mensen die hij ontmoet in zijn spreekkamer. En over de lastigheden van het leven, waar zelden pasklare oplossingen voor zijn te verzinnen. De Wachter pleit ervoor om elkaar en de onvolmaaktheid van het leven meer te omarmen. Een welkome boodschap in deze tijd, waarin wij opnieuw moeten leren dat het leven niet zo maakbaar is als wij zouden wensen. 

's Avonds lees ik met aandacht en met opgetrokken benen, met twee kussens en een dekentje in onze ribfluwelen kringloopstoel. Mijn man en zoon zijn allang naar bed, en ik heb nog een halve pot thee te gaan. In de kleine uurtjes gaat de kunst van het ongelukkig zijn me vrij goed af. Mijn lichte neiging tot melancholie heb ik in de loop der jaren afwisselend ontrafeld en overschreeuwd, gewiegd en weggeslikt. Maar het is er nu eenmaal, dat vleugje ongeluk. Ik moest ouder dan veertig worden om dat te kunnen zeggen. Ik voel mij regelmatig een beetje treurig, ook wanneer het geluk mij toelacht. Ook op de momenten dat ik, met mijn handen in de lucht en mijn gezicht naar de hemel opgeheven, zong hoe Jezus mijn hart vervulde. 

Alle tranen drogen

'A God-shaped hole' heet die sombere ondertoon, zo is mij in de kerk geleerd. Al googelend kom ik erachter dat die uitspraak bij Blaise Pascal vandaan komt. Er zit een gat in onze ziel, een soort onbestemde heimwee naar iets dat is geweest, maar ons is ontglipt. Sindsdien zoeken wij naar heling. 

In de traditionele kerk van mijn jeugd werd die heling vooral in het hiernamaals verwacht. Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw. Tenminste... Als ik de juiste dingen geloofde en mij afkeerde van al mijn zonden. Later, in de charismatische hoek, was de theologie zonniger. De God op afstand kwam zo dichtbij dat ik hem haast kon aanraken. Jezus stond met uitgestrekte handen en ik, zijn volgeling, hoefde hem slechts uit te nodigen in mijn hart, het hart met de gapende wond. Dan zou hij alle tranen drogen en alle scheuren en groeven netjes dichtsmeren. Nu, vandaag nog. Tenminste... Zolang ik mij aan Jezus onderwierp en Satan geen duimbreed ruimte gaf. 

Kom maar op, dacht ik. Ik nodigde Jezus uit, en vroeg hem koning van mijn hart te zijn. Zondagochtend hief ik mijn handen, sloot mijn ogen en zong alle opwekkingsrefreinen mee. 

Koning alcohol

's Avonds laat opende ik een fles rode wijn en nam een glas. En daarna nog een glas, want mijn God-shaped hole zeurde en trok nog een beetje. Vervolgens wilde ik het derde glas inschenken, maar besefte ik dat het Satan was die mij afleidde van de waarheid. Hij fluisterde me in dat Jezus helemaal geen heerser van mijn hart was, maar dat ik weer van alles had gedaan om hem weg te jagen. Zoals kattig reageren op mijn kinderen en roddelen over de buurvrouw en een film met een seksscène kijken. Vlug beleed ik al mijn zonden, spoelde de resterende inhoud van de fles door de gootsteen, en knielde op de keukenvloer om Jezus opnieuw de regie te geven. 

Terugdenkend ben ik blij dat mijn geweten en gezond verstand mij ervan weerhielden om mij regelmatig vol te gieten met alcohol. Ook ben ik dankbaar voor het verhaal van een Schepper die zo graag een relatie wil met zijn maaksel dat hij afdaalt, steeds opnieuw, ook al kost het hem alles en maken wij hem keer op keer kapot. Maar de God die elke kier dichtsmeert, de koning die iedere trekkende wond heelt, die God heb ik niet ontdekt. 

De warmte van de moederschoot

In het boek van De Wachter lees ik over een variant op de God-shaped hole. Het schijnt dat wij mensenkinderen te vroeg geboren worden. Eigenlijk zijn wij er na negen maanden nog niet aan toe om de warmte van de baarmoeder te verlaten, maar het is noodzakelijk, omdat ons hoofd zo groot is. Meer dan welk wezen dan ook zijn wij hulpeloos en kwetsbaar wanneer wij ter wereld komen. Wij worden vanaf onze eerste ademstoot overvallen door snijdende kou en een muur van licht en geluid die ons dreigt te overweldigen. Onze eerste kennismaking met het leven is een traumatische ervaring. Vanaf dat moment zullen wij blijven verlangen naar de veiligheid van de moederschoot. Een onbestemd gevoel van heimwee naar dat wat geweest is, naar een verloren paradijs. 

Ik ben blij dat het gemis benoemd mag worden. Welke naam het ook krijgt – een verlangen naar God, of een zucht naar de baarmoeder, of wellicht heel iets anders. Dat je af en toe ongelukkig bent in deze zogenaamd maakbare wereld, betekent niet dat je zondig bent, of mislukt, of dat je heel hard moet werken om een oplossing te vinden. Het is juist andersom: dat vage gevoel van eenzaamheid is wat ons diepmenselijk maakt en aan elkaar verbindt. Het doet verlangen naar de Ander en leert ons om in mildheid en compassie te handelen.