Rob zit alleen in quarantaine: 'Hallo, is daar iemand?'

Rob brengt een week in volledige afzondering door, voordat hij aan de slag mag in vluchtelingenkamp Moria. Tijdens die zeven lange dagen in quarantaine komt hij zichzelf behoorlijk tegen.

Rob zit alleen in quarantaine: 'Hallo, is daar iemand?'

DONDERDAG Ik kras het woord met drie dikke strepen door. Vijf dagen gehad, nog twee te gaan. Een volledige week in complete afzondering. Natuurlijk kan ik bellen, maar iemand ontmoeten is er niet bij. Geen vrienden, geen familie. Zelfs geen buren of cassière. Een week samen met mevrouw Wilson van de fitness-app.

Over twee dagen mag ik eruit en me voegen bij mijn collega’s in Moria, de paar vierkante kilometer heuvels waar het onvoorstelbare getal van 20.000 kinderen en volwassenen hun asielprocedure afwachten. Ik zal er 5 weken samenwerken met de resident volunteers - jonge mannen en vrouwen die zelf gevlucht zijn en in het kamp wonen. Tonnen vuilnis ophalen, tenten opzetten en schaduwplekken maken tegen de allesverzengende Griekse zon.

Is daar iemand?

Maar vandaag ben ik nog alleen. En eerlijk gezegd: het is niet alleen kommer en kwel. Sinds ik 16 jaar geleden vader werd, ben ik tijd alleen steeds meer gaan waarderen. Je even onttrekken aan de heerlijke, maar ook slopende chaos van kinderen om je heen hebben; vroeg op en een paar uur trainen voor een marathon, een lange bergwandeling alleen tijdens een vakantie of een nachtshift op volle zee aan boord van reddingsschip Sea-Watch.

Dit is echter ook voor mij nieuw.  Een volle week in volledige afzondering. Ik heb een klein appartement op het platteland. Vanaf het balkon zie ik door de olijfboomgaarden een streep zee en het silhouet van de Turkse kust. Het grijze silhouet van een marineschip glijdt voorbij.

De klap komt op dag twee. ‘s Avonds laat sta ik in het schemerlicht op het op balkon. Ik ben de enige huurder in het oude pand en de huisbaas is naar de stad. Het is muisstil. ‘Hallo, is daar iemand?’

Ik praat tegen mezelf

Het is november 1999 als studentenvrienden R en M voorstellen een weekend op retraite te gaan in een kloosterorde. We komen terecht in de Achelse Kluis tegen de Belgische grens. Midden in een natuurgebied. ‘s Avonds zitten we – zoals de regel voorschrijft – ieder op onze eigen kamer. Die week heb ik mijn eerste mobieltje aangeschaft, een knoeperd van een Panasonic. Met uitschuifbare antenne. En hij kan ook nog sms’en. Als je tenminste bereik hebt. ‘s Nachts lig ik wakker en check mijn telefoon. Geen berichtjes. Maar ook geen bereik. Foute boel. In m’n onderbroek sluip ik door de kloostercel op zoek naar verbinding. Het verlossende streepje vind ik, staande op een stoel tot mijn middel uit het dakraam hangend. Geen bericht. Ik ben nogal van de verbinding.

Noem me neurotisch, maar na 3 dagen praat ik tegen mezelf. ‘Lunch maken, dan maar?’ ‘Ja, goed plan.’ Relationele wezens zij we, of we het nu leuk vinden of niet. Een mens is pas een mens als er iets of iemand tegenover staat.

Mijn mevrouw Wilson

Op dag drie ontmoet ik mijn ‘Wilson’, zoals Tom Hanks in de film Castaway. Hanks speelt daarin een moderne Robinson (toevallig mijn doopnaam) Crusoë die na een vliegtuigongeluk aanspoelt op een onbewoond eiland. Hij ontwikkelt een haast menselijke band met een tevens aangespoelde volleybal die hij ‘Wilson’ doopt. Een volleybal als tegenover. Vreemd? Dacht het niet. Mag ik je voorstellen aan mevrouw Wilson?

Ze is nog geen vijf centimeter groot, kijkt een beetje nors en doet de fitness-oefeningen met een haast onmenselijk gemak. Drie keer per dag spreken we af. Zo nauwkeurig mogelijk volg ik haar instructies op. Push-ups, Jumping Jacks, Basic Crunch. Waar zij gaat, ga ik. Ken je die glazen-wand-oefening, waarbij je tegenover iemand staat en jouw handen de handbeweging van de ander moeten spiegelen?

‘Ik zie jou, zie je mij?’ Het zweet gutst van mijn voorhoofd als ik met geïmproviseerde gewichten – twee petflessen met water in een plastic zak – boven mijn hoofd sta te zwaaien. In het ritme blijven, Rob. Blijf in verbinding. Heel even is net alsof er twee mensen op het balkon zijn. We zijn synchroonzwemmers. Niet langer individu, maar samen één lichaam. Dan schrik ik wakker. ‘Workout completed.’ Het scherm gaat op zwart. Ik ben weer alleen. Gaat het nog goed met mij?

Ik ben een chronische verbindingszoeker

Wat is het toch met de diepe behoefte om verbonden te zijn? Te ervaren dat je niet alleen bent. Geaard in de ander. Ik ben een chronische verbindingszoeker. Er zijn momenten dat ik twijfel aan mijn eigen bestaan. Niet of het zin heeft, maar of ik überhaupt wel besta. Alles in mij schreeuwt dat het niet af is, zonder verbonden te zijn met de ander. De Ander. De Eeuwige. Als een puzzelstukje in groter geheel. 

Ik ben een bofkont. Ik kan de nachtjes tellen. Zondag mag ik naar buiten. Om 10 uur drink ik koffie met een vriend. Misschien tel jij al veel langer nachtjes. Op een eindeloze kalender. Tot het moment dat het licht weer aangaat in jouw hoofd, tot de liefde van je leven op de stoep staat, tot die dag dat je de moed vindt om eindelijk bij je ‘vriend‘ weg te gaan. Of tot het moment waarop de dood een einde maakt aan jouw lijdensweg van ziekte.

Of als Moria je huis is. Als je vanaf hier 10 minuten naar het zuiden fietst, afstapt en je ogen dicht doet, kun je het tellen horen. Het gonst door de olijfboomgaarden. Het fluistert van de heuvels. ‘Hallo, is daar iemand?’