Bedankt Rutger Bregman, nu snap ik Paulus beter

Daan Molenaar las de bestseller 'De meeste mensen deugen' van Rutger Bregman. Een hoopvol verhaal? Het boek inspireerde Daan vooral om nog eens dieper in de Bijbel te duiken.

Bedankt Rutger Bregman, nu snap ik Paulus beter

De essentie van De Meeste Mensen Deugen van Rutger Bregman is dat wij van nature geneigd zijn goed met elkaar samen te leven en samen te werken. De beschaving ís geen dun laagje vernis, waardoor mensen elkaar in de haren vliegen zodra de culturele ordening wegvalt. Nee, de meeste mensen deugen van nature – ook zonder ver ontwikkelde beschaving en ook in de grootste noodsituaties.

Een wenselijke uitkomst

Natuurlijk erkent Bregman dat er veel niet in de haak is in onze wereld. Maar waar hij tegen ageert is het nocebo-effect: dat we onze perceptie van de wereld vaak laten bepalen door ons negatieve mensbeeld. In zijn boek probeert hij bekende en minder bekende verhalen te ontkrachten, die dit negatieve mensbeeld lijken te ondersteunen. Een voorbeeld is het Milgram-experiment dat onderzoekt hoever mensen willen gaan onder druk van autoriteit. Rutger Bregmans probeert op basis van (zijn) onderzoek te laten zien dat zo’n verhaal vaak anders ligt. Met een veel positievere uitkomst voor de mens. En hij zoekt naar theorie vanuit de wetenschap om slechtheid - die er ontegenzeggelijk ook is - te verklaren.

Soms geeft Bregman eerlijk toe dat hij bepaalde uitkomsten wenselijk acht, hoewel hij die niet kan onderbouwen. Dat is oprecht. Maar zijn verklaring blijft staan: omdat door evolutie juist de vriendelijkste mensen overblijven, deugen de meeste mensen van nature. Dat brengt mij bij het punt dat de meeste critici eruit pikken: wat is deugen? Dat wordt in het boek niet duidelijk. De deugende mens is - blijkt uit de voorbeelden - solidair, niet egoïstisch, fatsoenlijk, en heeft geen behoefte om iemand direct de hersens in te slaan als het tegenzit. Maar er is geen kader om te meten wat wel of niet deugt. Wie in de godloze spiegel van Bregman kijkt, ziet daarin geen kwade reflectie.

Kijken in de Bijbelse spiegel

Een van de mooiere dingen van het lezen van De meeste mensen deugen is dat het mij zo prikkelde, dat ik de Bijbel begon te lezen. Daar keek ik in een andere spiegel. Ik kwam terecht in de brief aan de Romeinen. Dat is het hooggebergte in de Bijbel: stevige kost die je niet even bij het avondeten aan je kinderen voorleest. Basisconcepten van mijn geloof kwamen tot leven.

Eerst stelt Paulus in Romeinen 7 hoe wij kunnen zien of wij deugen of niet: kijk in de spiegel die de wet je voorhoudt. Paulus maakt vervolgens duidelijk dat het ons niet lukt die wet goed na te leven. Bedoeld om leven te brengen, doet die wet ons er juist verrot voor staan. Een diepe kracht drukt ons naar beneden: de zonde. Noem het de natuur van een mens. ‘Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, doe ik.’ Heftige taal van Paulus. Toch hoef ik niet heel diep in mezelf te zoeken om deze kracht tegen te komen.

Anders dan Bregman, verlamt deze conclusie me niet. Integendeel, dit realisme werkt eerder bevrijdend. De Bijbel biedt duidelijk een maatstaf van wat ‘deugen’ is: anderen liefhebben als jezelf. En tegelijkertijd bevestigt de bijbel ook dat het leven soms niet meer is dan egoïstisch prutsen, fouten maken en meedogenloos met andere mensen omgaan. 

Rechtvaardiging

De Romeinenbrief gaat nog verder. Nu over rechtvaardiging. Bij chronisch falen wordt een oplossing geboden: val ik (mezelf) tegen, Jezus wacht. Wat bij mij niet deugt wordt eerst ontmaskerd, dan volgt de pijn dat het echt zo is en tenslotte wordt het vergeven en geheeld. Dat heet: rechtvaardiging door het geloof. Ik deug, maar niet van mijzelf.

Behoorlijk dogmatisch, maar wel op een goede, bevrijdende manier. Daarom smaakt Paulus zo goed na Rutger. Bregmans boek heeft als ondertitel Een nieuwe geschiedenis van de mens. Romeinen laat zien dat het eigenlijk om een oud verhaal gaat, namelijk: zelfrechtvaardiging. Bregman doet een poging zonder God een fundamenteel gebroken wereld te rechtvaardigen met een soort alternatieve heilsleer.

Veel te theoretisch

Bregmans boek is aantrekkelijk en lijkt hoopvol. Het is toegankelijk geschreven en oogt redelijk doordacht. Hij heeft ook een punt: veel mensen doen meer goed dan het soms lijkt. Het is bovendien goed anderen vanuit een basishouding van vertrouwen te benaderen. Zo verrot is alles ook weer niet.

De vraag is alleen: biedt het écht hoop? Bregman is daarvoor veel te theoretisch, alsof het is geschreven in de studeerkamer van een doorzonwoning in een Vinex-wijk van Houten-Zuid. Het is losgezongen van de alledaagse complexiteit van goed en kwaad. Van de alcoholistische vader die zijn kind slaat, wiens leven al uit balans is voordat het goed en wel begonnen is. Van de jongen in Syrië die zijn ouders en alle broers en zussen verloor in een preventieve Amerikaanse drone-aanval. Bregman probeert steeds bij het verklaren van het kwaad uit te komen bij een intrinsiek deugende mens. Veel realiteit gaat daarbij verloren.

Hoopvol realisme

Pretentieus sluit Bregman zijn boek af met zijn ‘tien geboden’: een verzameling lessen uit psychologie, religie en praktijkverhalen die ons vragen te kiezen voor vertrouwen in de ander. We moeten begrip tonen, luisteren naar elkaar en ons niet te veel laten bepalen door nieuwsmedia. We hoeven er niet van overtuigd te zijn dat de meeste mensen deugen, we moeten het geloven, adviseert Bregman. ‘Zodra we geloven dat de meeste mensen deugen, verandert namelijk alles.’

Bregmans tiende en belangrijkste gebod is: wees realistisch door te geloven dat we goed zijn. Ikzelf geloof in een heel ander realisme: een gebroken wereld waarin we allemaal in meerdere of mindere mate falen. Ik geloof in een maker met visie, en in een wet die laat zien wat echt deugen is. Ik lees van profeten die weten wat recht is. Ik ontdek steeds meer van de vergeving die ons wordt aangeboden voor ons gepruts en waarin bevrijdende en helende genade te vinden is.    

Uit de loopgraven

In het laatste hoofdstuk van De Meeste Mensen Deugen beschrijft Bregman een verhaal dat voor hem illustratief is voor zijn boek. In de gitzwarte periode van de Eerste Wereldoorlog, was er in december 1914 een schitterend lichtpunt. Tussen de loopgraven in Vlaanderen, waar dagelijks duizenden soldaten sneuvelden in een strijd voor een paar meter terreinwinst, werd spontaan Kerst gevierd tussen Fransen, Britten en Duitsers. Ze voetbalden, rookten elkaars sigaretten en zongen ‘Stille Nacht, Heilige Nacht’ en ‘Es ist ein Ros entsprungen’ in die barre winternacht.

Ik weet wel welk verhaal dat in beweging bracht. Bedankt dus, Rutger!