Doordenderen is geen oplossing: Karlien pleit om stil te staan bij de ‘draken’ in je leven

Stilstaan bij de lastige dingen in het leven? Karlien dendert liever door. Maar dat heeft ook een keerzijde, ontdekte ze de afgelopen maanden.

Doordenderen is geen oplossing: Karlien pleit om stil te staan bij de ‘draken’ in je leven

Een tijdje terug, toen ik op een verloren moment – zo’n moment waarvan ik eigenlijk vind dat ik het al mijmerend en raamstarend door moet brengen om vervolgens tot diepe inzichten te komen – Facebook opende, kwam ik een korte tekst tegen die sindsdien door mijn hoofd spookt.

De tekst komt uit het boek Untamed van de Amerikaanse schrijfster en activiste Glennon Doyle. Vrij vertaald, zegt ze het volgende:

‘We zijn als kleine sneeuwglobes: we gebruiken al onze tijd, energie, woorden en geld om de sneeuw te laten dwarrelen, (…) om er zeker van te zijn dat de sneeuw niet neer zal dalen. Alles om ervoor te zorgen dat we de waarheid niet in de ogen hoeven te kijken.

De relatie is over. De wijn wint. De pillen zijn niet langer voor rugpijn. Hij komt nooit meer terug. Dat boek gaat zichzelf niet schrijven. (…) Je hebt nooit om hem gerouwd. Het is zes maanden geleden dat we voor het laatst seks hadden. Haar een leven lang haten is geen leven. We houden onszelf in beweging, uit angst voor de draken in ons hart.’

We houden onszelf in beweging, ik houd mezelf in beweging. En daar was opeens dat virus en veel van de dingen die mijn leven, bewust of onbewust, zo lekker opgeschud hielden, vielen plotseling weg. Geen familiebezoekjes, geen clubjes, geen kerk, geen terrasjes met vrienden, überhaupt geen vrienden. Geen theater, geen werk, geen school of opvang.

En daar stond ik dan: oog in oog met mijn eigen draken. Hoe ik als een klein kind blijf zoeken naar bevestiging van de mensen om me heen. Hoe jaloers ik kan zijn op het schijnbare succes van anderen. Hoe bang ik nog altijd ben voor conflicten. Hoe de angst om te falen mij op zoveel vlakken belemmert.

Altijd maar doordenderen

Wanneer mensen mij vragen hoe het gaat, probeer ik eerlijk te zijn. ‘Wisselend’, is nu regelmatig mijn antwoord, maar écht open kaart spelen durf ik lang niet altijd. Ik eindig mijn relaas vaak met hoe ik aan het einde van iedere dag drie dingen bedenk waar ik dankbaar voor ben. En hoe zwaar de dag ook is: het lukt altijd om iets te verzinnen.

Dat dit lukt, is natuurlijk fijn. Ik geloof zeker dat het goed is om stil te blijven staan bij wat er wél is. Maar het is en blijft ook mijn valkuil: het altijd maar weer zo snel mogelijk doordenderen naar het opgelucht ademhalen, het afschudden, het oplossen, het vluchtige vergeven.

Ik schreef er eerder over: de neiging om het lijden zoveel mogelijk weg te drukken. We zijn inmiddels drie jaar verder en nu de sneeuw door het virus is neergedaald, zie ik pas dat ik in de tussentijd de illusie van controle en zelfredzaamheid gewoon weer op hun oude troon heb geplaatst.

Kwetsbaar durven zijn, erkennen dat ik hulp nodig heb, oog in oog staan met het ongemak van de draken in mijn leven én daar dan ook een tijdje blijven zitten: thanks, but no thanks.

Van ‘stil maar’ naar ‘huil maar’

En toch geloof ik dat het beter is om het wél te doen. En wel hierom: jaren geleden woonde ik een lezing bij van een theoloog die als kind seksueel misbruikt was. Voor het onderzoek dat hij toentertijd deed, sprak hij tientallen slachtoffers van misbruik. Een van zijn conclusies: er kan geen sprake zijn van oprechte, doorleefde vergeving wanneer je niet eerst erkent dat datgene wat heeft plaats gevonden echt heel erg verkeerd is geweest. En die erkenning is meer dan alleen hardop (of in gedachten) uitspreken dat dit of dat je pijn heeft gedaan. Het is ook durven voelen hoeveel boosheid, verdriet, afkeer en angst er in je is. Alle emoties de revue laten passeren zonder ze op te jagen.. Alle emoties de revue laten passeren zonder ze op te jagen. Angstaanjagend én, uiteindelijk, helend.

Hoe helpend het is om de zogenaamd minder prettige gedachten en gevoelens te erkennen en ruimte te geven, zie ik ook in het klein bij mijn zoontje van twee.

Wanneer hij huilt, wil ik eigenlijk zeggen: ‘Shhh, stil maar’, maar wat ik nu zeg is: ‘Huil maar’. Wees maar boos, bang en gefrustreerd. Toen ik deze zinnen de eerste paar keren uitsprak, voelde dat compleet tegennatuurlijk. Alles in mij wilde (en wil stiekem nog steeds) sussen, wegnemen, oplossen. Maar ik doe het niet, bijt op mijn tong, want ik zie hoeveel lucht het hem geeft. Hoeveel sneller de huilbui over is en hoeveel makkelijker de boosheid van hem afglijdt.

Ruimte voor tranen

Al die dingen die ons zijn aangeleerd (of die we onszelf hebben geleerd) over wat je wel mag voelen en wat niet: van onze ouders, de kerk, de media. Wat goed is en wat slecht. Wat sterk is en wat zwak. Over de vrucht van zelfbeheersing. Over hoe lang en waarover je boos mag zijn. Ik zou willen dat ik het van me af kon schudden. Niet helemaal en niet alles, maar wel: het onderdrukken en het zo snel mogelijk uit de weg ruimen van dat wat pijnlijk is.

Vroeg of laat komt al die opgekropte ellende er toch wel een keer uit. En in mijn ervaring dan juist op een veel minder volwassen, minder helpende manier dan wanneer ik meteen durf toe te geven dat ik ergens heel teleurgesteld/boos/verdrietig om ben.

En ja: natuurlijk is het goed om te blijven hopen, bidden, werken aan herstel, aan genezing, vergeving, opstanding. Maar laten we elkaar en onszelf in de tussentijd ook in vredesnaam de ruimte geven onze tranen de vrije loop te laten. Niet alleen omdat het bevrijdend is, maar ook omdat het ons, meer dan wat ook, met elkaar verbindt:

‘And though we love to numb the pain
We come to learn that it's in vain
Pain is our mother
She makes us recognize each other'


Uit: Nobody number one van Over the Rhine