Rob is terug op Lesbos: 'Een edelsteen én een zwart gat. Dat is kamp Moria.'

Rob is na 4 maanden terug in kamp Moria, een vuilnisbelt met 20.000 zielen die wachten op een beslissing over hun asielaanvraag. Hij treft er opnieuw een wereld waar uitersten naast elkaar bestaan en deelt met ons de rauwe werkelijkheid van het dagelijks leven.

Rob is terug op Lesbos: 'Een edelsteen én een zwart gat. Dat is kamp Moria.'

M. stottert ervan: ‘Wij durven niet meer in de jungle te slapen. Ze hebben mijn vrouw geslagen, omdat ze geen hoofddoek draagt. Iran was voor ons de hel als bekeerde christenen. We hadden zo gebeden in Europa veilig te zijn. Vannacht schuilen we met ons kind in de bosjes bij de zee. Weet jij waar we veilig zijn, Rob?’

Sluit je ogen, open je handen en stel je voor. In je ene handpalm ligt het mooiste, meest hoopvolle en liefdevolste van de mens wat er in je opkomt. In de andere het lelijkste, wanhopigste en slechtste wat je kunt bedenken. Breng je handen samen en kneed die met alle kracht die je in je hebt tot een klein balletje. Open je ogen en kijk naar het kleine, prachtig glanzende, zwarte knikkertje dat in je handpalm ligt. Een edelsteen én een zwart gat. Dat is kamp Moria.

Een nieuwe dag breekt aan in kamp Moria

De weg van mijn huisje naar het kamp voert over prachtige heuvels met zachtgroene olijfgaarden, met daartussen de zee in tinten turquoise. De oude huurscooter pruttelt en hapert. Nog één steil stuk. In de verte - in de richting van het kamp, hoog boven het groen - hangt een vlieger. Twee takjes en een vuilniszak aan een touwtje. Het danst vrolijk op de straffe wind van zee. Hoger en hoger in de staalblauwe lucht. Dan zoef ik naar beneden.

Ik zigzag tussen de mensen door. Een moeder in nikab zwaait haar dochtertje - met veel te grote schooltas – uit bij de propvolle bus. Een puber met de aanzet van een snorretje steekt zijn slaperige hoofd onder het gescheurde plastic van zijn zelfgebouwde huisje. Een open vuilniswagen met huisvuil dendert de lange onverharde weg af, de jungle uit.

Lijven, vuilnis, uitlaatgassen en een kakofonie van gehamer en Afghaanse muziek uit tientallen mobieltjes en overstuurde radio’s. Van mierzoete liefdesduetten tot de klagerige klanken van het ochtendgebed.

De nacht is voorbij. Het begin van een nieuwe dag.

Geen mens zou hier moeten wonen

Zonder erbij na te denken parkeer ik mijn scooter nose out naast het metershoge hek; richting de uitgang. Breekt de pleuris uit dan moet je maken dat je wegkomt. Als ik mijn helm afzet en de lucht opsnuif, flitsen oude beelden voorbij. Ik ben overal tegelijk. In de bevroren ruïnes van Sarajevo waar jonge migranten schuilen tegen de kou, tussen de druipende drenkelingen in het vooronder van een reddingsboot op de Middellandse Zee en in nauwe gangen van de sloppenwijken van Nairobi. Ik ruik exotische kruiden, rottend huisvuil, het oerwoud van Congo en rokerige houtvuurtjes. De geur van doodsangst, de bergtoppen van Afghanistan, zweet en wanhoop.

‘Rob!’ schalt over de mensenmassa. ‘R***, how are you?’ We knijpen elkaars vuisten wit en kijken elkaar diep in de ogen. ‘It’s so good to see you again, my friend.’ Ik meen het, maar het schuurt ook. R***  is mid-twintig en éen bonk spieren. Twee jaar terug ontvluchtte hij de wanhoop van Afghanistan. Hij is een fantastische vrijwilliger voor de organisatie waar ik voor werk. Onvermoeibaar, 7 dagen per week leidt hij het vuilnisteam; 30 vrijwilligers die vele voetbalvelden aan tentenwijken schoonhouden. 

Maar het weerzien klopt niet. Dit is al de vierde keer binnen een jaar dat ik R. tref. Ik gun hem zijn gewilde ‘blauwe stempel’ die hem recht geeft om door te reizen naar Athene. Geen mens zou hier moeten wonen, maar zeker niet meer dan 1,5 jaar. Het volgende interview voor zijn asielprocedure is pas in januari 2021. 

Kleuters knikkeren

Soms lijkt het allemaal heel gewoon. Vriendelijk zelfs. Een rijtje kleuters maakt om beurten een koprol van een berg dekens. Een van de gastjes heeft zijn schoenen verkeerdom aan, en doet me denken aan onze eigen koters. Een oude man zonder tanden zit op een gebroken plastic stoel naast de toiletten en ziet de wereld aan zich voorbij trekken. ‘Salaam’ We groeten elkaar vriendelijk. Ik geniet van de blije blik van een meisje als ik haar help om één van haar zware waterflessen naar haar tent op de heuvel te brengen. ‘Thank you’. ‘You’re welcome.’

Twee kleuters knikkeren. Niets herinnert aan het drama dat zich hier twee nachten terug voltrok.

Beneden naast de primitieve wasbakken is een lege plek tussen de rij tenten. Twee kleuters, een jongetje en een meisje, hebben de ruime en vlakke plek direct opgeëist voor een potje knikkeren. Niets herinnert aan het drama dat zich hier twee nachten terug voltrok. Twee jonge gasten uit Congo werden in hun tent overhoopgestoken na een ruzie over een telefoon. De politie greep niet in. Eén haalde het ziekenhuis, de ander bloedde dood op de drempel van zijn tent. Het meisje wint en rent weg met haar buit.

Moria is licht én donker

Daarom begin ik elke dag in het licht. Met een moment met de Eeuwige. Ik prijs Hem. En prijs mijzelf gelukkig voor mijn veilige bed. Elke ochtend lees ik de namen voor van een groezelig papiertje dat tussen mijn telefoon en het hoesje plakt. Het zijn de namen van mensen die ik de afgelopen jaren ontmoette op hun vlucht. Peter, Sarah. Overal in Europa. Zielen die me geraakt hebben. Mensen met wie ik mens geweest ben. Op zee, in de jungle van Samos en hier in Moria. Mustafa, Maghmoud. Mensen in nood die ik niet kon redden.

Ik sluit mijn ogen en noem ze bij naam en leg hun leven in de schoot van de Eeuwige.

Gisteren kwamen er drie mensen bij. ‘Heer ontferm u over M. Over zijn vrouw en over hun kindje. We kunnen niets voor hen doen dan hen doorverwijzen naar de UNHCR. Naar een wachtlijst van maanden. Heer, ontferm U…'


Foto: Een Afghaans jongetje kijkt uit over het dal vol tenten en huisjes van zeil. Hij woont met zijn ouders in de jungle naast kamp Moria. Het is 1 van de 7.000 kinderen die wonen in en om het kamp op het Griekse eiland Lesbos.