‘Wat is er gebeurd sinds ik met een megafoon op straat argeloze voorbijgangers bestookte met de leus: ‘Jezus redt’?’

Ooit stond Jean-Jacques als zendeling met een megafoon op straat. Maar die tijd ligt achter hem: hij vertelt hoe hij andere inzichten kreeg over zending.

‘Wat is er gebeurd sinds ik met een megafoon op straat argeloze voorbijgangers bestookte met de leus: ‘Jezus redt’?’

Zomer. Tijd voor de oogst, zegt Jezus terwijl hij zijn leerlingen de wereld instuurt om het goede nieuws te verkondigen. Hoe zat het ook alweer met mijn eigen zendingsopdracht? Wat is er gebeurd sinds ik met een megafoon op straat argeloze voorbijgangers bestookte met de leus: ‘Jezus redt’?

Ik wist toen een beetje te goed hoe je wel en hoe je niet moet geloven. Bij mij ontbrak de gezonde twijfel die kenmerk is van echt geloof. En met een megafoon kun je wel spreken, maar niet luisteren. Ik was niet nieuwsgierig naar die voorbijgangers, ik vond niet dat ik iets van hen kon leren. Ze moesten hun hart aan Jezus geven, zodat ik hun naam aan mijn lijstje kon toevoegen voordat ik naar de volgende straathoek liep. Ik bedreef zending zoals ik eerder als tiener in het zweet mijns aanschijns sinaasappels aan de deur had verkocht.

Geen geld, geen tas, geen extra kleding

Jezus pakt dat in Matteüs 10 heel anders aan. Alleen al de ritmische opsomming van zijn leerlingen klinkt niet als werk maar als een rap, een dans:

‘Als eerste Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas,
Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes,
Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs’…

En wat geeft hij hen op hun zendingsreis mee? Niets. Het refrein is: ‘geen, geen, geen’. Jezus zegt: ‘Neem in je beurs geen munten mee, schaf je geen reistas aan, geen extra kleren, geen sandalen, geen stok.’ En ook: laat je niet bepalen door wat de mensen van je vinden. Nodigen ze je thuis uit, goed. Houden ze de deur stijf voor je dicht, ook goed.

Gezonden zonder voorwaarden

Wie licht bepakt is, danst beter. Je bent een gezondene zonder voorwaarden – dat is het waarmerk van Gods liefde. Zending hoeft daarom niet nuttig te zijn, of succes te boeken. Sterker nog: succes kan de vijand van zegen zijn. Dan blijf je teveel met jezelf bezig, met je eigen prestaties. Waar blijft dan die voorbijganger op straat? Waar blijft God?

In de Eerste Wereldoorlog werkte priester Teilhard de Chardin als ziekenverzorger. Midden in het geweld van granaten en gasaanvallen gaat hij even een dorpskerkje binnen om te bidden. Daar krijgt hij het visioen dat de bron zal worden van zijn zending en van zijn kosmische theologie. Zoals in veel Franse kerkjes hing daar een afbeelding van Jezus met een brandend hart. Terwijl hij daarnaar kijkt, ziet hij het vuur in dat hart steeds sterker oplaaien. Langzaam verdwijnt het gezicht van Jezus in ‘het beeld van een wereld in gloed’.

Dat was voor mij een nieuw inzicht. In echte zending verdwijnt Jezus. En wij verdwijnen met hem: geen beurs, geen kleding, geen stok, zelfs geen ik. Je wordt licht, zo licht. Alsof je opgaat in een dans, de dans van de goddelijke oogst.

Pas dan vinden voorbijgangers bij ons echt ruimte om nieuwgeboren te worden.