Lydia: 'Ben ik nog de rebel en dwarsligger die ik altijd wilde zijn?'

Als Lydia in de spiegel kijkt, ziet ze hoe haar lichaam ouder wordt. Ook van binnen zijn er dingen bij haar veranderd en dat stelt niet erg gerust. Wat is er met haar idealen gebeurd? Is ze nog overtuigd genoeg om de barricades op te gaan?

Lydia: 'Ben ik nog de rebel en dwarsligger die ik altijd wilde zijn?'

Ik kan niet ontkennen dat ik ouder word. Als ik ’s morgens uit bed kom zeggen mijn knieën ‘knak’. En elke keer als ik opsta uit een diepe stoel, slaak ik een zuchtje. Mijn lijf geeft zich na 40 jaar tegenstribbelen over aan de zwaartekracht. Tenminste, als ik het er niet van langs geef met hardlooprondjes. Allemaal een beetje onzin natuurlijk, want uiteindelijk zijn we allemaal vergankelijke wezens en soms heb ik het gevoel dat de rimpeltjes in mijn nek me uitlachen als ik crème op mijn huid sta te smeren. Ik rek het nog een beetje, maar de illusie van het eeuwige jonge leven brokkelt af.

Soms lijkt het alsof ook mijn geest wat minder flexibel is geworden. Ik krijg de neiging om me te gaan verdiepen in hoe-het-nou-eigenlijk-zit-met-mijn-pensioen. Ik overweeg tot mijn schrik om mijn superblije knal-bloemen-zomerjurk weg te doen, omdat hij voelt als van iemand anders.

Waar is de vechter gebleven?

Stiekem vind ik het fijn zo. Ik laat me minder snel van mijn stuk brengen en voel me rustiger, stabieler dan vroeger. De pieken zijn minder hoog en de dalen zijn minder diep. Ik kan me beter voorstellen dat de ander misschien gelijk heeft, en kan mezelf zonder angst gunnen om te twijfelen. Dat geeft rust en dat is fijn.

Wat me wel zorgen baart, is dat het vechtertje in mij wat sloom is geworden. Het meisje met de vuistjes omhoog laat steeds minder van zich horen. Ik verzucht dingen, zoals: ‘Het is wat het is’ en ‘Zo is het nou eenmaal.’ Daar waar ik vroeger steeds opnieuw het gevecht aanging, laat ik veel zaken nu langs me heen gaan. Ik zie mezelf graag als rebel, dwarsligger en luis in de pels. Maar ben ik dat eigenlijk nog wel? Om de barricades op te gaan, moet je overtuigd zijn van jezelf en je verhaal. Je moet zelf geloven dat je iets te melden hebt en dat je met je inspanningen ook daadwerkelijk iets kan bereiken. En dat ben ik een beetje kwijtgeraakt.

De grond onder mijn voeten

Voor een deel is deze nieuwe, kalmere, ruimdenkende Lydia namelijk geboren uit teleurstelling. Daar waar mijn ‘lat’ niet meer paste bij mijn ervaringen, ging ik de lat later leggen. En dat gaf ruimte. Maar ruimte die ontstaat uit teleurstelling is niet alleen maar mooi. Er hangt een prijskaartje aan.

Denk aan een huwelijk dat eindigt. Toen de twee geliefden ooit aan dat huwelijk begonnen, was er geen ruimte in hun hoofd voor de gedachte dat het ooit zou eindigen. Ze waren daarvan overtuigd en dat was misschien zelfs een beetje arrogant. Scheiden? Dat zou hen nooit overkomen. Nu dat toch is gebeurd, zijn ze bescheidener geworden. Hun oordeel over zichzelf en anderen is zachter. Er is er meer ruimte, meer genade. Dat is mooi en waardevol. Maar toch is hun scheiding natuurlijk bovenal een verlies van iets wat ooit mooi en dierbaar was. De nieuw vergaarde levenswijsheid en ruimte gaan onvermijdelijk gepaard met een groot verlies.

Toch klopt het niet. Mijn hele wezen verzet zich ertegen. Ik wil geloven dat het mogelijk is om ruimte en genade te hebben voor onszelf en anderen én te geloven in waarden als onschuld, onvoorwaardelijke liefde en vergeving. Ik wil geloven dat je steeds echt opnieuw kan beginnen en weer geloven als een kind. Alleen dan is er werkelijke hoop voor een wereld waarin Gods liefde overwint, waarin echt herstel mogelijk is, zoals God belooft. Voor die hoop kom ik mijn bed uit. Die hoop is de grond onder mijn voeten.

Weten waar je moet zijn met je twijfels

Ik moet denken aan het verhaal van Petrus, die over het water loopt. Hij stapt zonder aarzelen uit de boot, maar als hij de wind in zijn oren hoort suizen, raakt hij in paniek en zakt door het water. Hij roept om hulp en wordt door Jezus opgevist. Jezus noemt hem een kleingelovige. Dat vond ik altijd een beetje raar, want Petrus was de enige van Jezus’ volgelingen, die zomaar zonder aarzelen de boot uit was gestapt.

Misschien wist Jezus dat Petrus dat dipje in de zee even nodig had om te beseffen waar hij zijn vertrouwen werkelijk op moest vestigen. Zo kon Petrus van een kleingelovige met een grote gelijkhebberige mond veranderen in een gelovige die durft te twijfelen, omdat hij weet waar hij moet zijn met zijn twijfels. De illusie dat hij zijn voeten drooghoudt is hij kwijt. Voortaan kan hij vol vertrouwen op het water stappen, zeker wetend dat hij regelmatig nat zal worden, maar ook dat hij altijd weer door Jezus wordt opgevist.

Zo’n geloof is de grondslag van alles waar we op hopen. Geen geloof in een abstracte overtuiging die na iedere levenservaring opnieuw moet worden geëvalueerd, maar een geloof in Iemand die ons niet loslaat. Met zo’n geloof kunnen we de barricades op.

(Geïnspireerd door Hebreeën 11:1 en Mattheus 14:24-33)