‘Niet alle Turken zijn Marokkanen’ - over alledaagse islamofobie

Woorden als "kopvodden" en andere alledaagse uitingen van islamofobie: Herman van Veelen kijkt er nauwelijks meer van op. Het wordt tijd dat hij zich daar weer door laat raken, vindt hij. Waarom we als christenen moeten opstaan tegen moslimdiscriminatie.

‘Niet alle Turken zijn Marokkanen’ - over alledaagse islamofobie

‘Het gebeurt ook vaak in de supermarkt. Ik stond een keer bij de kassa en was aan het afrekenen. De man voor me keek me vreemd aan. Ik groette hem en toen reageerde hij met: “Ik groet wel, maar geen mensen zoals jij”. Heel veel mensen zagen dit maar niemand deed wat, inclusief de medewerkers. Ik ben hierna een halfjaar niet in de winkel geweest.’

“Als jij maar geen aanslagen pleegt."

‘We hadden het over de brief van Rutte die hij schreef en een collega maakte de opmerking: “Als jij maar geen aanslagen pleegt”. Ik zei: “Maar dat geldt ook voor jou, als jij maar geen aanslagen pleegt”. “Nee, dat doe ik niet” zei ze, waarop ik antwoordde: “O, ik wel dan?” Ik heb die dag heel hard gehuild voor het eerst op mijn werk.’

Bron: Alledaagse islamofobie in Nederland

Negatieve opmerkingen over de islam en moslims zijn ondertussen zo gewoon in Nederland dat ik er nauwelijks meer van opkijk. Islamofobie heeft alleen nog maar nieuwswaarde als het aan de grens van de wet komt en opeens haatzaaien is.

Tenzij je moslim bent natuurlijk. Dan merk je het elke dag. Structureel. Je merkt dat het lastiger is om die stageplek te regelen, of dat huurhuis. Caissières groeten je minder vaak. Je kinderen worden vaker onderschat op school. Als je gebedshuis al niet wordt gevandaliseerd of je fysiek bedreigd of aangevallen wordt op straat.

Anders dan wij

Stel dat je een open discussie wilt voeren over het veranderen van de Ayasofya in een moskee? Of over vrouwenrechten binnen bepaalde moslimgroepen? Moet je dat dan maar inslikken? Is open discussie niet juist deel van een broederlijke relatie tussen religies?

Een van de redenen waarom oprechte interreligieuze discussie steeds moeilijker wordt, is dat het gesprek over de islam als godsdienst steeds vaker eigenlijk over de ander gaat. Religie wordt verward met afkomst, etniciteit, cultuur, politieke voorkeur en uiterlijk. Het woord moslim wordt gebruikt voor een soort fictieve groep van mensen die anders zijn dan wij, en allemaal op elkaar lijken. Mijn oudoom versprak zich eens, en zei: 'Ik weet ook wel dat heus niet alle Turken Marokkanen zijn'.

Binnen deze context kan een gesprek over islam bijna niet meer puur over de godsdienst gaan. Over het katholicisme kan ik een stevige discussie hebben over vrouwenrechten binnen de kerk zonder dat iemand vermoedt dat ik eigenlijk alle katholieken 'terug' naar Rome wil deporteren. Maar een gesprek over islam gaat altijd over de gediscrimineerde minderheid die daar aan verbonden wordt.

Misbruik van christelijke theologie

Juist als christenen is het nu dan ook extra belangrijk om tegen te gaan dat ons geloof en onze theologie misbruikt wordt om andere groepen buiten te sluiten. Op het moment dat gesproken wordt over de joods-christelijke traditie, alsof er niet meerdere christelijke tradities zijn, alsof het christendom uit Europa komt. Wanneer op die manier zowel de meerderheid van alle christenen wereldwijd als alle moslims in Europa opzij geschoven worden. Dan moeten we daar iets mee.

Dat een religieuze groep verward wordt met een vaag stereotype ander is trouwens niets nieuws. Antisemitisme zorgt ervoor dat een gesprek over het jodendom ook al snel in politiek ontaardt. En ook daar wordt christelijke theologie volop ingezet.

Jezus laat zich corrigeren

Ook in Jezus' tijd waren er religieuze groepen met macht, en religieuze groepen in de marge. Als Jezus bij de put praat met een Samaritaanse vrouw is zijzelf - en Jezus' leerlingen - vooral verbaasd dat hij überhaupt met haar praat. De inhoud van het gesprek, Jezus’ bevrijdende boodschap, komt bijna op de tweede plek te staan.

De Australische theoloog Dave Andrews benadrukt hoe liefdevol Jezus omgaat met deze onderdrukte groepen zoals de Samaritanen en de Kanaänieten. Jezus roept geen 'addergebroed', en werpt geen tafels omver. Andrews benoemt dat deze ontmoetingen een voorbeeld zijn voor hoe christenen in onze tijd met bijvoorbeeld moslims kunnen praten.

Jezus' gesprek met de Kanaänitische vrouw (Matteüs 15:21-28) raakt mij in het bijzonder. Over Kanaänieten staat in Deuteronomium (20:17) nog dat ze liefst allemaal dood moeten, en Jezus is eerst ook nogal grof: hij vergelijkt haar volk met een hond die hem niet waard is. Ze verbetert hem, en hij geeft haar gelijk. Hoeveel discussies met Jezus lopen af met dat hij zich laat corrigeren?

Schrikken van "kopvodden"

Dat voorbeeld wil ik graag volgen. Ik merk steeds meer dat dingen die ik doe of laat bijdragen aan structurele moslimdiscriminatie. Op zo'n moment hoop ik dat ik ook kan luisteren naar de mensen om mij heen, me verontschuldigen, en iets leren.

Voor mij begint dat door me weer te laten raken door de moslimdiscriminatie die ik overal tegenkom. Door weer te schrikken als iemand in de politiek spreekt over "kopvodden". Door het niet normaal te vinden dat godsdienstvrijheid in Nederland selectief wordt ingeperkt. En door me ervan bewust te blijven dat geloof in een barmhartige en genadevolle God - tegen alle stromen in - nooit achterlijk is, maar dapper.

Herman van Veelen woont in het Jeannette Noëlhuis in Amsterdam. In deze leefgemeenschap woonde hij jarenlang samen met moslims.