Volgens Rik Torfs is de kerk ook fantastisch voor ongelovigen

Hoogleraar en tv-personality Rik Torfs schreef een nieuw boek met de titel: De kerk is fantastisch. In het boek een verrassend hoofdstuk: over de kerk voor ongelovigen.

Volgens Rik Torfs is de kerk ook fantastisch voor ongelovigen

Op vrijdag 27 maart 2020, in volle coronacrisis, gaf paus Franciscus vanaf een compleet leeg Sint-Pietersplein in Rome de zegen urbi et orbi voor de stad en voor de wereld. Het regende. Terwijl de paus helemaal alleen verder schreed, een nietige stip op het enorme plein, met de trage, onzekere pas van de oude maar lucide man, weerspiegelden de vochtige stenen zijn figuur. Het verdubbelde zijn eenzaamheid. De allesomvattende leegte, de zuivere schoonheid van het eeuwenoude decor en de aanwezigheid van de paus als enige mens hadden een verpletterend effect.

Een expert zei op de Nederlandse televisie heel eerlijk: “Ik val haast in katzwijm.” En ik moet toegeven, zelden zag ik een ceremonie die even sterk beroerde. Omdat ze ongegeneerd sober was in een decor dat sterk genoeg is om alles, werkelijk alles aan te kunnen, zelfs de meest kitscherige bijeenkomsten, maar dat het mooist is op momenten van volkomen ingetogenheid. Dan volstaat het pure zijn.

Unieke zegen

Hoe de paus keek naar het miraculeuze beeld van de gekruisigde Christus dat aan de kerk van San Marcello in Corso behoort, hoe hij het aanraakte en leek toe te spreken, verbond hem met vroegere tijden, met andere mensen dan wij, mensen die net zo goed diep nadachten en hun eigen verlangens hadden. Met wie lang geleden gestorven zijn en hoopten dat het kruis hen voor besmettelijke ziekten zou vrijwaren. Of zou behoeden, op welke manier dan ook, voor dreigend gevaar. Misschien hoopten ze alleen maar en geloofden ze niet echt. Sommigen toch. Dat kan, is zelfs waarschijnlijk. Erg is het niet. Geloof is genade. Je kunt niemand verwijten dat ze hem niet te beurt valt. Bij de unieke zegen, die de paus woordeloos gaf met de monstrans in zijn handen, vielen twee dingen bijzonder op.

De paus was niet langer een paus. Maar een mens. De Mens, in existentiële zin. Zoals hij zich soms helemaal alleen voelt tegenover de elementen die hem overweldigen. “Der Starke ist am mächtigsten allein”, schreef Friedrich Schiller (1759-1805). Een uitdrukking die getuigt van diep antropologisch inzicht en doorgaans klopt. Maar niet altijd. Op uitzonderlijke momenten kan die existentiële eenzaamheid worden doorbroken. Want weliswaar was de paus alleen, de enige mens, toch was hij alleen met iemand anders die niemand ooit zag maar die vele generaties hoop en vertrouwen heeft gegeven, bovenmenselijk vertrouwen. Kortom, de paus was even niet de kerkleider, misschien niet eens de rechtgeaarde katholiek, maar de Mens met zijn intelligentie en broosheid. Dat de paus oud is en moeilijk loopt, helpt daarbij. Hij verzinnebeeldt het gemis dat mensen onophoudelijk treft, nu eens ontberen ze kracht, dan weer wijsheid. Zoals in de prachtige

Franse uitdrukking: “Si jeunesse savait, si veillesse pouvait”, van de humanist Henri Estienne (1528-1598). De wijsheid komt pas als de kracht ontbreekt om ze in de praktijk om te zetten. En zo- lang de kracht er is, schiet de wijsheid tekort, waarbij het ontbreken van dat inzicht zelf er tegelijk het beste bewijs van levert.

Oude mensen zoals de paus kunnen zich de luxe veroorloven niet langer mooi te zijn. Ze kijken enkel en willen niet langer bekeken worden. Dat is hun schoonheid. Maar wel de weemoedige schoonheid van de herfst.

Existentiële verbondenheid

Het tafereel op het Sint-Pietersplein heeft nog een andere dimensie. De paus wordt de Mens. Maar ook zij die de zegen ontvingen, urbi et orbi, voor de stad en voor de wereld, zijn talrijker dan de katholieken, christenen of gelovigen. Zelfs voor ongelovigen kan de pauselijke zegen iets betekenen. Dat bedoel ik dan niet in een primitieve, magische zin. Zoals: een hoefijzer boven de deur brengt ook geluk voor wie er niet in gelooft. Hoewel ik die gedachte op zichzelf schattig vind, hoort ze eerder thuis in een praktische handleiding voor onmiddellijk succes. Werkt een zoeklicht, slaat de motor aan, brengt het hoefijzer geluk? Bij de zegen van de paus ging het niet om het praktisch nut dat een religieuze ceremonie voor ongelovigen kan hebben, maar om een existentiële verbondenheid met ieder mens, ook met wie tot zijn eigen vreugde in het ongeloof vertroosting vindt.

De paus las voor uit het Marcusevangelie, hoofdstuk 4, vers 35-41: “Op een dag tegen het vallen van de avond sprak Jezus tot zijn leerlingen: ‘laten we oversteken.’ Zij stuurden het volk weg en namen Hem mee zoals Hij daar in de boot zat: andere boten begeleidden Hem. Er stak een hevige storm op en de golven sloegen over de boot zodat hij vol liep. Intussen lag Hij aan de achtersteven op het kussen te slapen. Ze maakten Hem wakker en zeiden Hem: ‘Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?’ Hij stond op, richtte zich met een dwingend woord tot de wind en sprak tot het water: ‘Zwijg stil!’ De wind ging liggen en het werd volmaakt stil. Hij sprak tot hen: ‘Waarom zijt gij zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?’ Zij werden door een grote vrees bevangen en vroegen elkaar: ‘Wie is Hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen?’”

Jezus is verwonderd dat de apostelen nog geen geloof bezitten. Zij hadden beter kunnen weten. En toch bleven ze bang en geloofden niet in hun redding. Maar Jezus maakt van het geloof geen voorwaarde om te worden geholpen. Hij vraagt niet dat de leerlingen zouden geloven, waarna pas redding komt. Integendeel. Ze worden eerst gered, nadien blijft er tijd genoeg om te geloven. Of niet te geloven. Of de indringende vraag te stellen: “Wie is Hij toch?”

Uit de passage blijkt de sterkte van zowel geloof als ongeloof. Want wanneer is geloof op zijn best? Als ongeloof nabij is, op de loer ligt, een reële mogelijkheid blijft, verhindert dat geloof verzandt in gemakkelijk comfort. Zonder ongeloof geen echt geloof.

Sereen ongeloof

Ook ongeloof kan prachtig zijn. Niet het eenvoudige ongeloof van de mokkende medemens die het evidente godsbestaan loochent uit balorigheid, een verschijnsel waar de Franse filosoof Rémi Brague (°1947) het weleens over heeft. Daarmee bedoelt hij het ongeloof van wie, gekwetst door zijn religieuze opvoeding, het falen van de kerk of de hardheid van het leven, weigert het bestaan van God te erkennen. Daar gaat het dus niet om. Er is ook een mooi, trots en sereen ongeloof mogelijk, waarbij de sterfelijkheid van de mens met stoïcijnse waardigheid wordt gedragen. Met soms veel spirituele diepte. Voor ongeloof en geloof geldt hetzelfde: opdat het diep zou zijn, moet een mens er hard aan werken.

Tegen een melaatse uit Samaria zei Jezus Christus: “Sta op en ga heen, uw geloof heeft u gered” (Luc. 17, 19). De Romeinse honderdman uit Kafarnaüm hoopte dat zijn knecht door Jezus’ tussenkomst zijn gezondheid zou herwinnen (Luc. 7, 1-10). “Een woord van u is voldoende om mijn knecht te doen genezen”, zei hij in volle vertrouwen. Waarop Jezus Christus antwoordde: “Ik zeg u, zelfs in Israël heb ik zo’n groot geloof niet gevonden.” De knecht genas. Kortom, ziedaar twee verhalen waarin er eerst geloof is, dan pas redding. Maar bij het stillen van de storm stelde Jezus deze voorwaarde niet. Zoals de paus bij zijn zegen van 27 maart 2020 aan alle mensen dacht, gelovigen en ongelovigen, urbi et orbi. Ongeloof is geen beletsel.

Grenzeloos genereus

Bekend is de theorie van Karl Rahner (1904-1984) die goedwillende mensen crypto-christenen noemde. Simone Weil (1909- 1943) ging een gelijkaardige richting uit in Lettre à un religieux. Voor haar kregen alle religies kracht door Christus, ook als ze dateren van lang voor zijn komst en misschien toen al verdwenen waren. De positieve bedoelingen van deze constructie staan buiten kijf. Ze is mooi en verwelkomend. En toch mist ze, naar mijn aanvoelen, een tikkeltje zuivere generositeit. Niemand hoeft gelovig te zijn, ook niet een beetje, op een verborgen plek van zijn diepste zelf. Niemand hoeft zich gered te voelen tegen zijn eigen idee of verlangen in. Echte generositeit vraagt niets, ook dat niet. Natuurlijk kan de mens die complete belangeloosheid in zijn persoonlijke leven nooit helemaal waarmaken. Zijn overlevingsdrang verhindert hem dat. Hij beseft dat grenzeloze generositeit naïef is en hem uiteindelijk te gronde zal richten. Maar de kerk, in haar meest existentiële zin, wanneer de paus staat voor de Mens en het instituut zich opent voor de wereld, moet daar wel toe in staat zijn. Ze moet zelfs abstractie maken van de redding die ze biedt aan alle mensen, als die dat uitdrukkelijk niet willen.

De kerk als ultieme pleisterplaats voor alle vormen van geloof en van ongeloof. Zonder iets te eisen, zonder iets te vragen, zonder stil verlangen naar een ontluikend geloof.

Natuurlijk heeft de kerk de bedoeling de boodschap van Christus te verspreiden, op haar meest ambitieuze momenten zelfs te belichamen. Een geloof dat niet missionair is, desnoods enkel impliciet, is een uitgedoofd geloof.

Toch biedt de kerk een pleisterplaats aan iedereen. In ruil daarvoor verlangt ze niets. Dus ook niet dat het individu gelooft. Of gelooft op de volgens de katholieke kerk juiste wijze. Integendeel, zij is als een mantel om elk geloof en elke overtuiging heengeslagen. Bescherming biedt ze aan iedereen, redding enkel aan wie dat zelf verlangt.


De kerk is fantastisch van Rik Torfs kwam vorige week uit. Het boek telt 128 pagina’s en kost € 16,99. Meer informatie vind je hier.


Foto boven: Op 27 maart 2020 liep Paus Franciscus in zijn eentje naar de Sint-Pietersbasiliek in Rome voor een moment van gebed. Daarna spreekt hij de zegen urbi et orbi uit.   
Vincenzo PINTO / AFP