Mijn zusje werd opgesloten in een pikdonkere garage – en ik deed niks

Een gebeurtenis uit het verleden houdt Joanne Zwart uit haar slaap en laat haar stilstaan bij het heden. Ze vraagt zich af of ze zich nu wel durft uit te spreken tegen onrecht dat zich voor haar ogen afspeelt.

Mijn zusje werd opgesloten in een pikdonkere garage – en ik deed niks

Optimistisch waren we op de fiets gestapt – mijn kleine zusje en ik - zonder jas. Het beloofde een zonnige lentedag te worden. Ik zal een jaar of vijftien geweest zijn, mijn zusje was kleuter. Ze had ervoor kunnen kiezen om met onze moeder mee te gaan naar de vakantie-kinderclub van onze kerk, maar ze ging liever met mij mee oppassen op de kleine kinderen van de vrijwilligers. Samen met een paar andere tieners, bij een van de kerk-moeders thuis.

Halverwege de ochtend was het tijd om met de kinderen naar buiten te gaan. De hal vulde zich met kinderen die allemaal een jasje aankregen. Mijn zusje had geen jasje, maar dat leek me geen bezwaar. De zon was weliswaar niet zo uitbundig gaan schijnen, maar we waren ook gekomen zonder jas.

Het jasje was een no-go

De oppasmoeder dacht daar anders over. Mijn zusje moest en zou een jas aan, anders zou ze verkouden worden. De moeder had er nog wel één liggen. Maar mijn zusje weigerde, tot wanhoop van de oppasmoeder die ongeduldig werd met al die popelende peuters in de hal. Mijn zusje was hypergevoelig voor de synthetische voeringstof die het jasje had.

‘Ze kan wel zonder jas, écht!’ opperde ik nog, ‘die voeringstof, daar kan ze niet tegen!’ Ik had ook al een goed alternatief in gedachte: desnoods kon ik thuisblijven samen met mijn zusje, terwijl de rest naar de speeltuin ging. Want dat jasje aan was een no-go, ik kende mijn zusje.

Maar nog voor ik mijn alternatief kon voorstellen, zei de moeder: ‘Anders moet je maar in de garage blijven.’ Ik keek de moeder vragend aan. Meende ze dit werkelijk? ‘Als ze geen jasje aan wil, moet ze maar in de garage’, herhaalde ze.
Ik keek naar mijn zusje. Ze keek me verwachtingsvol aan, met de zekerheid dat ik het niet zover zou laten komen.
Ik keek weer naar de moeder. Een ervaren moeder. Haar kinderen waren al groot, deels volwassen. Zou ik haar niet moeten vertrouwen in het maken van een verantwoorde keuze? Haar voorstel van die garage was zó absurd, dat zou ze nooit echt gaan doen, schoot door me heen.

Ik keek naar de kinderen die voor de deur stonden te popelen. De kinderen voor wie ik gekomen was. De kinderen voor wie ik een taak had.
Ik aarzelde.
Mijn zusje verdween achter de garagedeur.
Ik slikte, er kwam geen geluid meer uit mijn keel.

Ze meent het niet echt

De voordeur ging open en de kinderen liepen de straat op. Ik bleef stil. De moeder wenkte mij als laatste naar buiten en sloot de deur. Ik bleef stil. Tot dan toe had ik gedacht: Ze meent het niet echt. Ze zegt het uit wanhoop. Ze zegt het als dreiging. Ze doet het alleen maar even, om haar punt te maken. Zodra ze buiten staat, doet ze meteen de deur weer open om mijn zusje te bevrijden…

Maar zodra de deur in het slot was gevallen, voegde ze zich bij de groep kinderen en dirigeerde hen richting speeltuin. Ik bleef nog op het tuinpad staan met een klein restje hoop dat ze alsnog rechtsomkeert zou maken. Maar ze deed het niet.

Ik haastte me naar mijn vriendin, ook een oppastiener en dochter van het huis, zij moest ook een sleutel hebben. ‘Je moeder heeft mijn zusje in de garage opgesloten,’ stamelde ik. ‘Ja logisch’, antwoordde ze, ‘ze wou geen jasje aan’.
Restte mij niets meer dan me voegen bij de groep richting de speeltuin - dat was immers mijn taak - en hopen dat het niet te lang zou duren. Dat ik ook bij de garagedeur had kunnen blijven om mijn zusje gerust te stellen, liedjes met haar te zingen, kwam niet in mijn tienerbrein op.

Zo snel mogelijk naar huis

Terwijl ik naar de speeltuin liep, vroeg ik me af hoe ik het zover had laten komen. Hoe het wijzertje tussen verantwoordelijkheid en loyaliteit zo verkeerd had kunnen uitslaan. Het zat me niet lekker. En van mijn taak - op de kleine kinderen letten – kwam niets meer terecht. Ik drentelde wat bij de ingang van de speeltuin hopend dat we zo snel mogelijk weer naar huis zouden lopen.

Dat gebeurde. Waarschijnlijk zat het de moeder ook niet lekker, want ze had er flink de pas in. Nog voor ik de voordeur had bereikt, was mijn zusje al bevrijd.
Ze was ongedeerd. Ze hoefde zelfs niet te huilen. Ik was opgelucht.

Thuis hebben we het verteld. Met lichte verontwaardiging, maar zonder de passende tranen of kwaadheid om het onrecht kracht bij te zetten. Er werd geen actie op ondernomen. Het werd vergeten.

Het was traumatisch

Pas jaren later heb ik begrepen hoe traumatisch het is geweest voor mijn zusje. Dat ze in het pikdonker heeft gezeten. Dat de minuten uren leken. Dat ze heeft gehuild, geroepen en gegild. Dat ze op deuren heeft gebonkt. En niemand hoorde haar.
Mijn zusje kampt sindsdien met nachtangst (heftig gillen in haar slaap). Ze heeft zich als kind nooit meer zo veilig als voorheen gevoeld in de kerk, want die moeder was daar.

Langzaam besef ik dat het niet alleen traumatisch was voor mijn zusje, maar ook voor mij. Ik liet het gebeuren. Terwijl ik haar kende en wist wat ze nodig had. Ik liet het gebeuren, terwijl ik toch echt oud genoeg was om me uit te spreken. Ik was kennelijk in staat om tegen mijn intuïtie in te gaan en niet de juiste afweging te maken.

En nu?

Vorige week hield deze herinnering mij uit mijn slaap. En het bracht me een belangrijk inzicht: nietsdoen in onrechtvaardige situaties waar je invloed op kunt hebben kan trauma's opleveren. 

Hoe doe ik dat nu? vroeg ik me af. Maak ik de juiste afwegingen? Of laat ik beslissingen misschien ook nu te veel over aan mensen die ik verantwoordelijk acht? Ik dacht aan Moria.
Maak ik kenbaar dat ik voor een menswaardig alternatief sta?
Spreek ik me uit?
Spreek ik me op tijd uit?
Spreek ik me hoorbaar uit?
Spreek ik me dwingend uit?
Ga ik er voor liggen als het moet?

Of wacht ik - ‘zo erg zullen ze het toch niet maken’ – tot de deur in het slot valt en de situatie afhankelijk wordt van mensen met de sleutel? En ben ik dan in ieder geval dapper genoeg om bij de garagedeur te gaan zitten? Om gerust te stellen, om troostliedjes te zingen, om te vertellen dat er een eind aan komt?


Joanne Zwart is creative, spatial designer, natuurliefhebber en moeder.