Waarom we allemaal leeuw én lam zijn

Soms moet je brullen, soms kun je beter zachtjes blaten. Wanneer laat je je tanden zien en wanneer kom je met warme wol? Het is belangrijk om in jezelf, maar ook in de kerk, te zoeken naar een goede balans tussen leeuw en lam, zegt Alain.

Waarom we allemaal leeuw én lam zijn

Ik kan me de laatste keer niet heugen dat ik het zong, maar het Opwekkingslied ‘Prijs Adonai’ zit nog heel vaak in mijn hoofd, en dat begint zo: 'Wie is als hij? De leeuw maar ook het lam’. Daarbij denk ik altijd direct aan een poster van David Sörensen die op de tienerkamer van mijn beste vriend hing. Je zag er een leeuw en een lam op, en die combinatie van dieren vormt een godsbeeld dat stevig verankerd ligt in mijn ziel. Ik kom er nooit meer vanaf, en dat wil ik ook niet, want het is een van de beste beelden uit het geloof van mijn puberteit.

Soms loopt het uit de hand

Je kunt als kerk, als mens, als gelovige te veel leeuw zijn en je kunt ook te veel lam zijn. Je kunt ook op de verkeerde momenten een leeuw zijn, en in de verkeerde situaties een lam. Dat is een ontzettend simpel schema waaraan ik mijzelf regelmatig probeer te toetsen. Ik zal een voorbeeld geven: op een dag zat ik met een groep vrienden in de kerk. De dominee preekte goed, maar hij preekte die zondagochtend echt als een leeuw. Het was een pittige kerkdienst waarin hij zijn gemeente opriep om eens vaker naar anderen om te zien.

Die boodschap zal misschien nodig zijn geweest, dat kan ik niet beoordelen. Wel weet ik wat ik daarna bij de koffie meemaakte: een van mijn vriendinnen, de allerliefste van het stel, was ontdaan door de kerkdienst. ‘Ik doe inderdaad niet genoeg voor anderen’, zei ze met een schuldig gezicht. Kijk, dat was nou precies niet de bedoeling. Deze jonge vrouw deed al zo enorm veel voor haar medemens, daar moest niet meer bij, het kon misschien zelfs ietsje minder. Maar zij was degene die zich aangesproken voelde door de donderpreek, terwijl degenen voor wie de boodschap écht bedoeld was, de dominee vrolijk bedankten voor de leuke dienst.

Een middenweg tussen brullen en blaten

Het is belangrijk om altijd te zoeken naar een balans hierin, in welke hoek van de kerk je ook zit. Ik heb overal diensten meegemaakt waar te veel gebruld werd: gereformeerde donderpreken, evangelische waarschuwingen voor de hel, vrijzinnig activistisch gedram. Zo heb je ook in alle uithoeken diensten waar te veel geblaat wordt: het evangelische ‘je mag er zijn’ mantra, knusse samenkomsten van de uitverkoren verbondskinderen, zelfgenoegzame vergaderingen van verlichte humanistische zielen. Hoe je daar een middenweg in vindt, wanneer je je tanden laat zien en wanneer je met warme wol mag komen, dat is echt niet eenvoudig te bepalen.

Afgelopen maand bracht ik mijn boek over Kaïn en Abel uit, de winnaar en de verliezer. Natuurlijk vragen ze je dan: ‘Alain, wat is jouw boodschap met dit boek?’, maar dat ligt er dus precies aan wie het boek leest. Ik hoop dat alle Abels die het boek lezen, zich gezien zullen voelen. Aan hen moeten de Bijbelverhalen troost en uitzicht en recht geven. Zacht als een lam, zo je wilt. Maar er zijn niet alleen Abels op de wereld. We hebben bijna allemaal weleens een God nodig die ons met de neus op de feiten drukt en zegt dat het spoor dat we nu volgen heilloos is. Zij mogen best van mijn boek schrikken (de Kaïn in mijzelf schrikt er ook van) zoals je zou schrikken van een leeuw op je weg.

Te veel leeuw in mijn preek

‘Ben ik mijn broeders hoeder, moet ik over hem herderen zoals Abel over zijn schaapjes herdert?’, vroeg Kaïn aan God. Het juiste antwoord is natuurlijk: ‘Ja, dat moet je’. Over dat verhaal preekte ik, en ik haalde er de gelijkenis van Jezus bij uit Matteüs 25, over de schapen en de bokken. Als je mijn goedkeuring wilt, suggereert Jezus daar, moet je zieken verzorgen, hongerigen voeden, gevangenen bezoeken, naakten aankleden, en ga zo maar door. Ik had voor die ochtend een preek voorbereid die net zo pittig was als Jezus’ gelijkenis: komop mensen, zie naar elkaar om, doe eens wat voor een ander, leef eens vanuit naastenliefde. Herder wat meer over elkaar.

'Op dat moment besefte ik dat ik te veel leeuw in mijn preek had zitten, en dat er nog wat lam in miste.'

Terwijl ik daar stond te preken, bespeurde ik een vermoeidheid bij mezelf die waarschijnlijk ook in vele andere kerkgangers zat. De vermoeidheid van ‘Het is al zo’n zwaar jaar, we hebben al zoveel aan ons hoofd, we ploeteren al zo dapper voort, moeten we nu ook nog eens nóg meer over elkaar herderen van die strenge Bijbelverhalen?’. Op dat moment besefte ik dat ik te veel leeuw in mijn preek had zitten, en dat er nog wat lam in miste. Ik stuurde ter plekke bij door die vermoeidheid te benoemen, ik bad na de preek nog extra voor mensen die wel willen omzien naar elkaar, maar ook op hun tandvlees liepen… En in de liturgie bleek ik onwetend met een vooruitziende blik ‘De Heer is mijn herder’ te hebben opgenomen.

Als christen moet je heel veel, maar je hoeft het nooit alleen te doen. De liefde die er van jou verwacht wordt, ligt in eerste instantie ook klaar voor jou.