Zangeres Joan Osborne en de Bijbelse Johannes de Doper zeggen allebei: 'Let op, God is er al'

Het is Advent. God komt eraan. Maar hoe? Met het vliegtuig of de bus? Zowel Johannes de Doper als zangeres Joan Osborne hebben ons daar iets zinnigs over te vertellen zegt Kees de Groot.

Zangeres Joan Osborne en de Bijbelse Johannes de Doper zeggen allebei: 'Let op, God is er al'

I God in een vliegmachien

Het is het jaar 1921. De zesjarige John McConnell jr., het oudste kind van een echtpaar dat de leiding heeft over een pinkstergemeente in Iowa, ziet een vliegtuig overvliegen. Hij rent naar binnen: ‘Kom snel, mama! Jezus komt eraan!’

Een jaar na het voorval kiest hij persoonlijk voor een leven als christen en wordt hij gedoopt in de heilige geest, wat in deze kerken betekent dat je in tongen gaat spreken. Als hij 13 is, schrijft hij de tekst van een lied waarin hij zijn ervaring verwerkt: op een dag komt de Heer eraan, traditioneel natuurlijk op de wolken, maar in zijn versie met een vliegmachien.

Op een nacht zo rond twaalf uur
zal de wereld schokken en schudden
de zondaar zal beven en schreeuwen van pijn
want de Heer komt eraan in zijn hemelse vliegtuig

Zijn ouders John en Hattie hadden het ene na het andere gebed, gezang, en preek op hun naam gezet, dus dat schrijven is hem met de paplepel ingegeven.
Later wordt het op muziek gezet (door John Rutter) in een ouderwetse jazzy stijl, en inmiddels is het een geliefd nummer in de Amerikaanse koorwereld geworden.

II God als een van ons

Halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw. De tamelijk onbekend gebleven singer-songwriter Eric Bazilian ontmoet Sarah, een meisje op wie hij een goede indruk wil maken, raakt kennelijk geïnspireerd, en schrijft in één nacht het lied One of us. Hij laat het uitvoeren door de zangeres Joan Osborne, die er haar debuut mee maakt:

Wat als God één van ons was
Gewoon een sloeber,
Een onbekende in de bus
op weg naar huis.

Het lied schetst een beeld van God, die zich onopvallend onder de mensen beweegt, op weg naar huis, in de hoop dat iemand hem eens belt.
Er werd een videoclip bij gemaakt die het idee versterkte dat iedereen eigenlijk die God zou kùnnen zijn. Serene, intieme beelden van mensen op een dagje uit - ik vermoed op Coney Island bij New York. Je ziet sommigen hun hoofd steken door een bordkartonnen afbeelding van De Schepping van Adamvan Michelangelo precies op de plaats waar het gezicht van God is uitgezaagd – God die de mens de adem inblaast.

God in het alledaagse

Gek genoeg wordt het lied voorafgegaan door een intro, waarin een fragment klinkt van het eerste couplet van John McConnell’s Heavenly Aeroplane. De tekst daarvan versterkt het bijzondere van het beeld dat het lied zelf oproept. Tegenover een God die op spectaculaire wijze afdaalt uit de hemel om te oordelen over de zondaars en zijn getrouwen te verzamelen, staat een God die zich in het alledaagse leven bevindt, op weg is naar omhoog, en in betrekkelijke eenzaamheid verkeert.

In zekere zin weerspiegelen de twee beelden twee fasen uit het leven van de zangeres Joan Osborne: rooms-katholiek opgevoed, wilde ze als kind priester worden. Toen haar ouders vertelden dat dat er voor meisjes niet in zat, raakte ze diep teleurgesteld, en wendde zich af van de geïnstitutionaliseerde godsdienst. Ze beschouwt zich wel als een spiritueel persoon, die zowel uit christelijke als boeddhistische bronnen put.
Het goddelijke wordt niet beheerd door een hoogwaardig instituut, maar is onder ons aanwezig voor de aandachtige waarnemer, zou je in de geest van het lied kunnen zeggen.

III God komt eraan

Jaren twintig van de eerste eeuw van onze jaartelling. De jonge Johannes is aan het prediken geslagen en doopt met water. Zijn vader was priester en zijn moeder stamde af van Aäron: vrome en gelovige mensen, dus de teksten van de Bijbel waren hem met de paplepel ingegoten. Hij knoopt aan bij een beeld uit het Boek van de Vertroosting uit Jesaja: God komt eraan, hij komt met kracht en hij verzamelt zijn schapen.

Naamgenoot Johannes de evangelist zegt iets dat daarmee contrasteert: in uw midden is iemand die u niet kent (Johannes 1:26). Kennelijk ìs de Verlosser er al, maar niemand heeft hem nog herkend. Je zou hem zo voorbijlopen. Een onbekende die onderweg is.

Hoewel Johannes vooruitwijst naar diegene na hem komt, en predikt dat er een verandering op komst is, zegt hij dus ook: hij is er al. De verpersoonlijking van de nieuwe wereld is midden onder ons. Je kunt ’m bij wijze van spreken zo aanraken.

We zijn in verwachting, deze dagen, van de komst van de verlosser. Ofwel: van het begin van een nieuwe wereld. Zowel Joan Osborne, als de neef van Jezus die doopte en getuigde, als de evangelist die het verhaal opschreef (getooid met dezelfde voornamen!), leert ons dat die nieuwe wereld, dat koninkrijk der hemelen, misschien al onder ons is.

Het komt erop aan goed te kijken, met aandacht en met liefde.­


Kees de Groot is KSGV hoogleraar Levensbeschouwing en geestelijke volksgezondheid aan Tilburg University.


Luister hier naar het nummer mét intro van Joan Osborne: