Rob en Tony vertellen elkaar over het leven en worden beiden weer even mens…

Rob was de afgelopen weken in de Libanese hoofdstad Beiroet om samen met andere vrijwilligers hulp te bieden aan de duizenden mensen die getroffen zijn door de explosie van een aantal maanden geleden. Hij had er een bijzondere ontmoeting met Tony.

Rob en Tony vertellen elkaar over het leven en worden beiden weer even mens…

Twee seconden. Zolang heeft de drukgolf nodig om de twee kilometer van de haven naar Tony’s appartement in Beiroet te reizen en zijn leven voorgoed te veranderen. Sneller dan het geluid. Dwars door alles heen.

Grootste ontploffing van de 21e eeuw

Op 4 augustus 2020, om zeven minuten over zes - tijd om te gaan koken- is alles nog normaal in de Libanese hoofdstad. Wel staat er iets in brand in de haven. Maar geen paniek, de brandweer is er erbij.

Dan ontploft 2.750.000 kilo ammoniumnitraat. De grootste niet-nucleaire explosie van de 21e eeuw. Een roodbruine pluim schiet omhoog en stuurt een horizontale drukgolf richting de stad. De zwaartekracht kantelt zijwaarts. Zeecontainers in de buurt van de opslagloods schrompelen ineen. De brandweerlieden die op de brand zijn afgekomen bestaan niet meer. Bomen versplinteren. Industriële kranen buigen als rietjes.

Een uitdijende megadonut van beton raast over de stad. Wijder en wijder. Het imposante twintig verdiepingen tellende gebouw van de Libanese elektriciteitsmaatschappij krijgt de volle laag. Eerst de ruiten aan de voorzijde. Een hagelstorm van miljarden glasdeeltjes schiet horizontaal door de kantoren en doorzeeft alles en iedereen. De golf vouwt zich om huizen, cafés, restaurants, terrassen waar gezinnen genieten van hun zomerdag. Mensen worden tegen de grond gesmeten en doorzeeft met glas. De massieve buitendeuren van statige villa’s worden ingedrukt.

Dan wordt het stil. Waar net nog een loods stond midden in de haven van Beiroet, stroomt nu een krater vol met zeewater. Een kwart miljoen Libanezen zijn dakloos, duizenden zijn gewond, waarvan velen voor het leven verminkt. En 200 levens zijn verloren gegaan.

Handige vrijwilligers

‘Rob, jij en ik moeten even langs een alleenstaande man, Tony, twee straten verderop. Kort klusje.’ Vier maanden na de klap ben ik in Beiroet. Ik heb me aangesloten bij een groepje handige vrijwilligers die ik ken van vluchtelingen-projecten in Sarajevo en de Griekse eilanden. Ik ben al een paar dagen in de stad, maar nog steeds ben ik uit het lood geslagen door zoveel verwoesting. Er is al veel hersteld, maar nog overal zie ik de sporen van de ontploffing. De restanten van enorme de graansilo’s, direct naast de krater, maar ook subtieler; een onbewoonbaar verklaard familiehuis waar de gordijnen van de kinderkamer gescheurd aan de versplinterde kozijnen wapperen.

Tony heeft opvallende vriendelijke lichtblauwe ogen. Hij moet in de zeventig zijn. Klein, fragiel postuur. Enigszins voorovergebogen loopt hij door zijn tweekamerappartement. Hij spreekt Arabisch en maar een paar woorden Engels, maar zegt weinig. Het huizenblok waar hij woont heeft de klap van voren gehad. Alles is ontzet.

De eerste schade is al hersteld. Andere vrijwilligers vervingen al de voordeur en de deuren naar het balkonnetje. Wat rest is een klemmende badkamerdeur en twee deurtjes onder het aanrecht die los hangen. We schaven een stuk van de deur en vervangen de scharnieren in de keuken. Tony zet ondertussen thee en wijst op nieuwe schade. Of we alsjeblieft ook de kapot gevallen antieke stoelen van zijn onlangs overleden moeder willen repareren. En nog een kopje thee?

Tony heeft me opgewacht

Als ik de volgende dag het rolluik van de werkplaats afsluit, tref ik Tony op straat. Hij heeft me opgewacht. Of ik al gegeten heb? Ik ben moe en maak duidelijk dat ik onderweg naar mijn kamer ergens iets eet en dan ga slapen. ‘Kom alsjeblieft bij mij eten.’ Hij kijkt mij aan herhaalt zijn zin, maar dan langzamer. Kak, denk ik, Heb ik weer. Ik ben moe, wil alleen zijn en houdt niet zo van vreemd eten. Ik zucht. ‘Dankjewel, Tony, graag.’

Onder het harde licht van een TL-balk delen we zijn Libanese tafeltje-dekje-maaltijd. ‘Sinds de explosie heb ik moeite om voor mezelf te zorgen. Het lukt niet meer. Gelukkig krijg ik nu eten. Neem nog wat meer, alsjeblieft.’
Tony woont in zijn geboortehuis. Na het overlijden van zijn ouders, is hij er blijven wonen. Er lijkt al jaren niets veranderd. De romantische landschapjes aan de muur. De goedkope kroonluchter aan het gebarsten plafond.

De fotoboeken komen op tafel

Ik eet en Tony praat. Over zijn werk als portier op een ministerie. Zijn hele leven heeft-ie op wacht gestaan. En over zijn broer. Na het toetje komen de fotoboeken op tafel. ‘Hier is mijn broer in Damascus, hier in Rome, met zijn vriendin. Dit is mijn broer in Parijs. Ja, dat was een andere vriendin. Mijn broer heeft een fantastisch leven gehad. Is overal geweest.’ Ik sta perplex. Zeven fotoboeken gaan we door. Allemaal van zijn broer op zakenreis, dan wel vakantie. Op welgeteld twee foto’s staat Tony. Allebei groepsfoto’s. Eentje als verlegen puber voor het seminarie in Aleppo, Syrië. Achterste rij, links. Het is 1960. En eentje waar hij per ongeluk half op staat tijdens de bruiloft van zijn broer, wie anders.  

Ik vraag hem naar zijn tijd als seminarist. Tony moet diep graven in zijn herinnering. Soms is het gênant lang stil. Maar dan breekt een lach door op zijn gezicht. Dat was een mooie tijd. Toen het leven nog voor hem lag.
De fotoboeken op tafel eindigen stuk voor stuk in 1975. De burgeroorlog.
Daar praten we die avond niet over. En ook niet over de economische en politiek chaos, de angst onder christenen in Libanon, de coronacrisis, de hyperinflatie en de explosie. Die zijn toch wel aanwezig.

We delen het leven

We delen die avond het leven. We vragen elkaar tevoorschijn. Met koekjes en thee. Tony vraagt naar mijn vrouw Doortje en de kinderen en ik laat foto’s zien en vertel over hun karakters. Mijn gastheer vertelt over vroeger. Verhalen die al een leven lang wachten om verteld te worden. We luisteren, knikken instemmend, kijken elkaar in de ogen en lachen.

Als ik door een donker Beiroet naar huis loop, denk ik aan dat wat filosoof Emanuel Levinas zei. Aan ‘mens worden in de blik van de Ander.’
Ik ben een gelukkig mens.  

Foto's: Rob Timmerman