Annemieke is een typische 'redder'. En uitgerekend zij ging in een woongemeenschap wonen...

Annemieke en haar man wonen in een woongemeenschap. Natuurlijk omdat ze iets voor anderen willen betekenen. Maar als ze eerlijk is, speelt het feit dat ze graag een ‘redder’ is misschien ook wel een rol…

Annemieke is een typische 'redder'. En uitgerekend zij ging in een woongemeenschap wonen...

Anderhalf jaar geleden verhuisden mijn man en ik naar een woongemeenschap van zorgorganisatie Timon. We verruilden ons rijtjeshuis voor een flat in een appartementengebouw met kleurrijke buren van diverse achtergrond. We hebben allemaal onze eigen voordeur en faciliteiten, maar op de begane grond delen we ook een grote keuken en leefruimte. In de ruime, gezamenlijke tuin wordt getafeltennist, koffiegedronken en boerenkool geteeld.

Mijn man en ik verantwoorden de keus voor onze nieuwe levensstijl met een lovenswaardige behoefte om iets te betekenen voor onze medemens. Maar even onder ons gezegd, dat ons derde en laatste kind kortgeleden het nest heeft verlaten, speelt mogelijk ook een kleine rol. Dat ik mijn zelfgebakken brownies en moederlijke adviezen nu aan welwillende buren kan slijten, is mooi meegenomen. En dat mijn man onbekommerd voetbal kan kijken in onze woonkamer, terwijl ik beneden met de buren naar Heel Holland Bakt kijk, vindt hij ook geen straf.

Klopjes op m'n liefdadige schouder

Maar goed, het is dus vooral die offervaardigheid die ons op deze plek bracht. Ons legenestsyndroom wordt prettig overstemd door een vederlicht gevoel van rechtschapenheid.

Ik hang nogal aan dat gevoel. Niets zo helend is voor een gekneusd zelfbeeld als de ontferming over mensen die zich nog minder op hun gemak voelen dan ikzelf. Dat wist ik overigens al op jonge leeftijd. Ik speelde met het gepeste meisje uit de klas en ik paste gratis op de kinderen van een echtpaar die werkten 'in het koninkrijk van de Heer' en dus geen cent te makken hadden. Er zat iets liefs in mijn acties, maar ook iets behaagzieks.

Op momenten dat ik mij eenzaam, onwennig of onzeker voelde, meldde ik mij aan als vrijwilliger voor kinderwerk, koffieschenken en kletspraatjes. Prompt werd ik dan overladen met complimenten en klopjes op mijn liefdadige schouder. Als mensen mijn acties niet opmerkten, dan toch in elk geval God. Hij knikte goedkeurend.

Wij redders zijn graag nodig

Tijdens mijn opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening leerde ik dat er een naam is voor mijn neiging tot zelfopoffering, het heet de redderrol. Wij redders zijn vaak gezegend met een scherp oog voor onrecht, een stevig inlevingsvermogen en een bak met daadkracht. Het zijn waardevolle talenten.

Vaak speelt er echter ook een minder eervolle motivatie mee om aan het redden te slaan. We zijn graag nodig. We willen zo graag gezien worden en geliefd zijn. Wat voelt het goed als iemand zegt, 'Je hebt mij zo fijn geholpen!' of 'Waar zou ik zijn zonder jou?'

‘Al die goede werken staan verdraaid mooi op ons christelijke visitekaartje.’

Ik heb de indruk dat doorslaande redders binnen de kerk oververtegenwoordigd zijn. Wij hebben de prettige overtuiging dat de Heer met waardering op al ons liefdewerk neerkijkt. We kunnen er de hemel niet mee verdienen, maar we staan wel lekker hoog in de pikorde. Al die goede werken staan verdraaid mooi op ons christelijke visitekaartje.

Ik kon zelfs mezelf niet redden

Ik was zo'n bedreven redder, dat mijn hulpvaardigheid een groot deel van mijn  identiteit vormde. Zolang ik voor anderen zorgde, voelde ik dat ik de moeite waard was. Ik was zelfs zo druk met anderen bijstaan, dat ik vergat om voor mijzelf te zorgen en een stevige burn-out opliep.

Daar lag ik dan, uitgeteld op de bank met mijn dekentje en ingedeukte ego. Niemand kon ik redden, zelfs mezelf niet. Brave kerkgenoten kwamen langs met misplaatste Bijbelteksten en voor de hand liggende adviezen. Echt heel irritant, die redders met hun kant-en-klare oplossingen...

Ik las sprookjes, Alice in Wonderland van Lewis Carroll bijvoorbeeld;

'Have I gone mad?' asked the Mad Hatter, sadly.
I'm afraid so,' said Alice, 'You're entirely Bonkers. But I'll tell you a secret,
all the best people are.'

Een vriendin kwam langs. Ze zei niet zoveel, ze zette thee en ging op een hoekje van de bank zitten. Haar vijfjarige dochter, een elfje met vlechtjes en een wisselgebitje, zat te kleuren aan de eettafel. Ze zong een liedje van Elly en Rikkert, 'We hebben allemaal wat, we zijn allemaal raar, en toch zijn we broertjes en zusjes...'

Redder, dader én slachtoffer

Niemand redde mij. Ik redde niemand. De zon kwam op en de zon ging onder en langzaam vervloog de chaos in mijn hoofd en kon ik weer een beetje helder denken.

Of misschien was er toch sprake van een reddingsactie, wie weet. Het herstel kwam bescheiden als gefluister in een zachte wind, vastberaden als opschietend zaad tussen stoeptegels en gestaag als de avond, nacht en morgen.

Hoe dan ook, ik begon weer een beetje normaal te functioneren. En toen zeiden mijn man en ik dus tegen elkaar, 'Kom, laten we in een woongroep gaan wonen, waar we omringd worden door meer dan gemiddeld kwetsbare mensen.' Dat leek ons echt een goed idee.

Entirely bonkers...

De redder in mij zou hier behoorlijk op haar plaat kunnen gaan. En, geloof me, dat gebeurt regelmatig. Heb ik dan niets geleerd?

Ja, toch. De scheidslijnen tussen redder en dader en slachtoffer zijn niet zo scherp. Vandaag hou ik mijn hand op en plak jij de pleisters en morgen sla ik mijn armen om jou heen.

Ik schreef er een gedichtje over.

Wankelen

We missen allen rugdekking,
zijn ver van huis en nauwelijks gevonden.
Het is mijn ziel die ik verberg,
achter grote woorden schuilen
ongeheelde wonden.

Wij zijn geen van allen helden,
geen van allen heiligen.
Misschien vindt God dat niet zo erg.
Soms loont het om te dwalen en
te twijfelen.

Ik ben een reiziger die leert
dat wij steeds weer opnieuw beginnen.
Ontmoet mij onderaan de berg.
Wij zullen die, steunend op
elkaar, beklimmen.