'Mama, ik ga jou niet knuffelen vandaag' | Onvermijdelijke confrontaties tussen Lydia en haar pleegdochter

Lydia's pleegdochter wordt het soms allemaal even te veel, met woede-uitbarstingen tot gevolg. Lydia heeft een manier gevonden om ermee om te gaan én ze herkent zichzelf in het kleine meisje. Zijn die ontploffingen misschien ook ergens goed voor?

'Mama, ik ga jou niet knuffelen vandaag' | Onvermijdelijke confrontaties tussen Lydia en haar pleegdochter

Onze pleegdochter Z. heeft regelmatig een ontmoeting met haar moeder. Het is maar een uurtje, ergens in een kantoor. Heel minimaal natuurlijk, maar dit is wat kan en ze neemt het zoals het komt, zoals kinderen dat zo goed kunnen. Ze kijkt er altijd naar uit. Maar het leidt ook steevast tot een soort existentiële crisis.

De dagen voorafgaand aan ‘het bezoek’ bouwt de spanning op. Ze daagt me voortdurend uit. Alles wat normaal gesproken enigszins vanzelfsprekend is, is dat ineens niet. Aankleden. Gedoe. Eten. Gedoe. Hoesten in je ellenboog. Gedoe.

Ik voel het. Ik weet het. Er komt weer die onvermijdelijke confrontatie. Toch doe ik mijn best er omheen te laveren. Omdat ik haar snap. En omdat ik wil vermijden wat onvermijdelijk is. En omdat ik het gezellig wil houden. Wat natuurlijk helemaal averechts werkt. Want hoe kan zij zich veilig voelen bij zo’n aarzelend wezen dat op haar tenen om haar heen danst? Ik weet het wel. We moeten er weer even samen doorheen en zij heeft mij daarvoor nodig.

Laat me los!

We zitten in de woonkamer. Ze hoeft echt alleen maar haar schoenen aan te doen.  Na 3 keer vragen liggen de schoenen nog steeds op de vloer en klimt zij over de vensterbank. Ik weet het. Ik moet nu een grens trekken. Zij weet het ook. Ik zeg haar naam en ze verstart. Ik zeg het keurig, volgens het boekje, zodat het voorspelbaar is: “Z. Ik heb drie keer gevraagd of je je schoenen aan wil doen. Ik ga je nu optillen en je schoenen aandoen.” 

Op het moment dat ik haar arm pak, verandert ze in een wilde kat. Ze draait zich om haar as en ik laat haar bijna vallen. Als ik haar in mijn armen neem begint ze te krabben en te schreeuwen. “Laat me los. Ik WIL niet dat je me vastpakt! Als je me niet loslaat, ga ik jou bijten!”

Ik adem in. Ik adem uit.

‘Ik houd je vast tot je rustig wordt. Je bent boos en dat mag, maar ik houd je vast tot je rustig wordt, anders doe je jezelf pijn.’ ‘Je moet me NU loslaten! Ik KAN niet rustig worden als jij mij vasthoudt.’ Ze kronkelt over mijn schoot. ‘Ik ben bij jou. Je mag boos zijn, maar je mag mij geen pijn doen. Je bent boos en verdrietig, omdat je je mama mist. Dat mag best. Dat snap ik heel goed. Het is ook verdrietig en stom. Je mag boos zijn. Maar je mag mij geen pijn doen.’

Soms duurt het 1 minuut. Soms een uur. Maar altijd voel ik na een poosje alle spanning uit haar lijfje verdwijnen en plaats maken voor het verdriet en de woede en de vertwijfeling over 2 mama’s en 2 papa’s. Een veel te groot gevoel voor zo’n klein meisje. Maar het is haar gevoel. Het moet gevoeld worden. En benoemd worden. En ik blijf bij haar tot het voorbij is. Na al die boosheid kan ik haar troosten. Ze vertelt dat ze haar mama mist. Dat ze boos is op mij en van mij houdt tegelijk en dat dat raar voelt in haar buik. Dat ze nu even niet kan knuffelen met mij.

En dan is het oké. Het is wat het is. Het is ons leven samen en dit hoort erbij.

Mogen voelen wat je voelt

Stiekem ben ik net zo. Ik houd er niet van als iemand (of Iemand) dicht bij mij komt als ik me kwetsbaar voel en in de war. Ik weet vaak niet eens dát ik kwetsbaar ben en in de war. In plaats daarvan doe ik, net als Z, moeilijk over van alles, zoek ruzie, ga allerlei dingen doen en doe alsof die héél belangrijk zijn en echt NU moeten.

Uiteindelijk komt dan het moment dat ik ontplof, en daarna komen de tranen. En dan is God daar. ‘Ben je daar eindelijk? Nu kunnen we praten.’ Dan kan ik het gevoel voelen dat er werkelijk toe doet, en de waarheid horen. En ook al doet dat pijn, het voelt zoveel beter dan dat ‘doorhollen’. Altijd vraag ik me dan af, waarom het zo lastig was om daar te komen. Maar blijkbaar hoort dat bij mij. Het helpt me om Z. te helpen. En zij helpt mij om me te herinneren dat ik, ook al ben ik volwassen, Gods kind ben en mag voelen wat ik voel. En dat het oké is. Hij blijft bij mij. 

Als Z. terugkomt van het bezoek aan haar moeder, en trots de knutselwerkjes laat zien die ze samen hebben gemaakt, zie ik dat haar hart weer helemaal ‘vol’ is.

‘Was het fijn?’

‘Ja!’

‘Heb je nog dat rare gevoel van binnen?’

‘Nee mama, maar ik ga jou niet knuffelen vandaag.’

‘Dat snap ik wijfie, geeft niks. Ik hou van jou.’