'Mijn godsbeeld werd volledig op z’n kop gezet door verlies aan inkomen, dromen en gezondheid’

Hanna heeft heftige jaren achter de rug. Ze vraagt zich af waar God was in dit alles. Heeft ze iets fout gedaan? Ze vindt troost in het verhaal van Job.

'Mijn godsbeeld werd volledig op z’n kop gezet door verlies aan inkomen, dromen en gezondheid’

Het Bijbelse verhaal van Job spreekt enorm tot mijn verbeelding. Alles wordt hem ontnomen: zijn kinderen, schapen, kamelen en rijkdom. En dat alles omdat God een vreemde weddenschap aangaat met de duivel. Het is een ellendig verhaal met als afloop: en de Heer bracht een keer in het lot van Job en hij gaf het dubbele van wat hij eerder bezat. (Job 42:10)

Dat het verhaal van Job tot mijn verbeelding spreekt, komt omdat het lijden de afgelopen jaren ook in ons leven op bezoek kwam. Weliswaar in veel mindere mate dan bij Job, maar genoeg om ons omver te blazen. Verlies aan inkomen, verlies van onze dromen, verlies van gezondheid. Godzijdank hebben we onze kinderen nog.

Vechten met godsbeelden

In het lijden dat we tegenkwamen, werd mijn godsbeeld volledig op de kop gezet. Dat godsbeeld was gekleurd door mijn opvoeding in de evangelische beweging, de vrijgemaakte scholen waar ik op zat en de charismatische conferenties die ik bezocht in mijn jeugd. Lid zijn van een kerk is al jaren verleden tijd in mijn leven, maar al die godsbeelden uit de kerkelijke tradities draag ik mee. 

Ik vocht er de afgelopen tijd mee. ‘Alles werkt mee ten goede, voor hen die God liefhebben.’ O ja, God? Hoe dan? Hoe werkt dit mee ten goede voor mijn kinderen die moeten lijden onder gestreste ouders? Of: ’God heeft een doel met je leven, leer Zijn stem te verstaan.’ O ja, God? Heb ik dan niet goed genoeg gebeden? Of heeft U dan geen doel met mijn leven? Was het allemaal onzin wat ze zeiden? Bestaat de Heilige Geest niet? Of ben ik degene die de Heilige Geest niet toestaat? En loopt daarom alles mis in ons leven? God? Bestaat U niet? Of doe ik het fout?

Geen Bijbeltekst werkte, geen belofte werd waarheid. God zou voor ons zorgen. Maar toch zeker niet via de voedselbank...

God bleef stil

Uiteindelijk klonk de stem van een klein bang meisje in mijn hoofd: ‘Ik weet dat U groter bent dan ik en dat ik niet immuun ben voor de ellende van de wereld. Heb ik recht op een beter leven dan een kind in Moria? Nee toch zeker. Ik weet dat U zo vaak stil bent en niet spreekt. Ik kan dit best dragen. Maar God, alstublieft, als ik maar weet dat ik niets fout heb gedaan, als ik maar weet dat U van mij houdt…'

Zo worstelde ik eenzaam met de dogma's en theologische inzichten die mij beschuldigden, of opzweepten tot heilige daden ver voorbij mijn kunnen. ‘Vergeef hen die je kwaad doen.’ Maar hoe kon ik de mensen vergeven die ons lachend en zonder enig schuldbesef opnieuw zouden raken? ‘Laat de Here je vreugde zijn.’ Maar hoe kon ik Gods rust en vrede of zelfs vreugde uitstralen, terwijl ik twijfelde of ik de bankrekeningen van mijn kinderen leeg zou halen om de huur te betalen? God sprak niet, en Hij loste zeker de situaties en de emoties niet op. Hij bleef stil. 

‘Kijk hoe groot ik ben’

Tot de stilte zelf de stem van God begon te worden. De stille afwezigheid van een vader die aan de kant blijft staan. Die, zonder boosheid, zonder oordeel, zijn kind ziet worstelen en afstand houdt in het volste vertrouwen dat ze er zelf wel uitkomt. ‘Je hebt niets misdaan’, fluisterde die stille afwezigheid.

Is dat misschien ook het geheim dat Job ontdekte, te midden van al zijn ellende? God die zegt: 'Kijk hoe groot Ik ben, Ik ben jou geen verantwoording schuldig!' En ondertussen fluistert: 'Het is niet jouw schuld... Het is niet jouw schuld... Het is niet jouw schuld. Je mag weten dat ik gewoon van je houd. Dat je niets hoeft te veranderen, want het is niet jouw schuld.'

Jobs schuld kon het niet zijn

‘Nu heb ik U echt gezien’, concludeert Job aan het einde. God is de grootste. Job is zo klein, zo betekenisloos, dat het zijn schuld niet kan zijn. O zeker, Jobs arrogantie was te groot geweest. En daar doet hij boete over. God vraagt hem ook om mild te zijn voor zijn vrienden die met valse beschuldigingen kwamen. 

En God? God lijkt aan het einde van het boekje zelf de schuld op zich te nemen. In de Oosterse rechtspraak is het namelijk zo dat iemand die schuldig was verklaard tweemaal moest vergoeden wat hij had genomen. Job krijgt van God tweemaal vergoed wat hij kwijt was geraakt. Ik weet niet of God schuldig was, maar Hij voldeed de schuld wel alsof hij schuldig was.

‘Eind goed al goed’ zit niet in de vergoeding die Job krijgt. Al zal zijn nieuwe gezin hem misschien veel geluk en liefde hebben gebracht. Het zit ‘m vooral in de wetenschap: God is groter en ik ben oké. Voor alle ellende kende Job God, maar nu wist hij zich veilig bij hem.

In alle lange nachten die nog zouden volgen, waarin hij zich in slaap huilde om zijn verloren kinderen. In die nachten had hij een Schuilplaats gevonden om diep in weg te kruipen.

Een nieuw perspectief op God

Daar ben ik (nog) niet. Wegkruipen bij God is nog ver weg. Soms flirt ik met de gedachte van Jobs vrouw: ‘Laat die God toch los!’ Dat gebeurt vooral als ik weer worstel met ogenschijnlijk Bijbelse verwijten en redenaties, die mij vertellen dat het leven makkelijk kan zijn en ik me goed kan voelen, als ik Gods wil maar ken en doe. 

Toch troost Jobs verhaal me ook. Het is een nieuw perspectief op God. Voor nu vind ik rust in het weten dat Gods plan voor mij verborgen is. Ik hoef het niet te kennen of te zoeken. Ik heb niks verkeerd gedaan. Ons verlies was niet onze schuld. En de Almachtige is mij geen verantwoording schuldig. Zo bevrijdend kan afstand zijn. 

*Hanna's achternaam is bij de redactie bekend.